Skip to main content

Bijlage 4 bij hoofdstuk 9 – Vaarreglement

De tekst van het vaarreglement is voor een deel afkomstig uit het Binnenvaartpolitiereglement (BPR, wetten overheid ) en verplichte leerstof voor de beginnende roeier. Het gaat om de regels die voor de roeisport van belang zijn.

1. Begrippen

STUURBOORD
= groen
= rechts in de vaarrichting
= rechts van de stuurman
= links van de roeier

BAKBOORD
= rood
= links in de vaarrichting
= links van de stuurman
= rechts van de roeier

LOEFZIJDE
= de zijde van de boot waar de wind vandaan komt

LIJZIJDE
= de zijde van de boot waar de wind naar toe gaat

HOGE WAL
= de wal waar de wind vandaan komt

LAGE WAL
= de wal waar de wind naar toe gaat

2. Algemene bepalingen

2.1

  • Elk vaartuig, dat dient als vervoermiddel op het water, is een boot
  • Een kano, een roeiboot en een surfplank zijn dan ook boten
  • Een motorboot is een boot die zich voortbeweegt door middel van mechanische middelen
  • Een zeilboot is een boot die zich voortbeweegt door middel van één of meer zeilen
  • Een zeilboot die tevens de motor heeft aanstaan is een motorboot. Deze boten zijn (als het goed is) herkenbaar aan een zwarte kegel in de mast
  • Een surfplank is een zeilboot
  • Een roeiboot en een kano zijn kleine, door spierkracht voortbewogen boten
  • Een kleine boot is een boot die korter is dan 20 meter. In de praktijk betekent dat een pleziervaartuig
  • Beroepsvaartuigen, rondvaartboten, veerponten (zoals het pontje bij Terheijden) en beroepsvissersvaartuigen zijn dan ook, ongeacht lengte, geen kleine boten

2.2 Iedere gebruiker van het vaarwater moet de nodige voorzorgsmaatregelen nemen om de goede orde en veiligheid op het water te waarborgen. Bijvoorbeeld een motorboot die door zijn hoge snelheid grote golven maakt, moet zijn snelheid verminderen, ook als de geldende regels een hogere snelheid toestaan. Dat wil niet zeggen dat je als roeier hierop mag vertrouwen. Goed zeemanschap kan inhouden dat je als gebruiker van het vaarwater desnoods afwijkt van het reglement, als bijzondere omstandigheden de goede orde en veiligheid niet langer waarborgen. Als roeier heb je weliswaar voorrang op een motorboot, maar bestuurders van motorboten negeren deze regel nogal eens.

Neem nooit voorrang! Vaar alleen door als de andere boot voorrang verleent.

2.3 Jeugdleden jonger dan 13 jaar mogen geen reddingsboten en volgboten met een motor besturen. Vanaf die leeftijd mogen (jeugd-)leden sturen, mits zij zich houden aan de bij de RV Breda geldende regels, de boot in kwestie korter is dan 7 meter en niet sneller dan 13 km/u vaart.

2.4 Ook in het waterverkeer geldt een alcoholverbod. Vanaf 0,5‰ mag je geen boot besturen.

2.5 Op het vaarwater van de RV Breda zijn de Mark en het Markkanaal hoofdvaarwater; zijsloten en havens zijn nevenvaarwater.

2.6 Een roeiboot moet van zonsondergang tot zonsopgang een wit rondschijnend licht voeren (zie ook 9.3.1). Roeiploegen die deelnemen aan een georganiseerd toerevenement of ploegen die met begeleiding van een coach trainen met dispensatie van het bestuur mogen bij duisternis varen. Zij moeten dan wel voldoen aan wettelijke voorschriften, dat wil zeggen het voeren van een rondom schijnend wit licht, dat minimaal een meter boven het wateroppervlak zichtbaar is tot meer dan 250 meter. Deelnemers moeten kennis dragen van de verkeersregels, o.a. het herkennen van boordlichten van beroeps- en pleziervaart, om te kunnen zien in welke richting zulk verkeer vaart. Alle opvarenden moeten een reflecterend hesje dragen.

3. Vaarregels

3.1 Algemeen

Een kleine boot moet aan een groot schip voorrang verlenen. In de praktijk betekent dit pleziervaart wijkt voor beroepsvaart. Onderstaande drie vaarregels hebben betrekking op alle boten en schepen. Kleine boten en grote schepen zijn alleen dan gelijkwaardig:

  • Boten en schepen mogen elkaar alleen passeren en inhalen indien het vaarwater voldoende ruimte biedt
  • Bij het passeren en inhalen mag een boot of schip zijn koers en snelheid niet zodanig wijzigen dat daaruit gevaar voor aanvaring ontstaat
  • Een boot of schip, waarvoor een andere boot of schip is uitgeweken, moet zijn koers en zijn snelheid behouden tenzij hierdoor gevaar voor aanvaring ontstaat.

3.2 Koers kruisen

  • Bij kruisende koersen van twee boten of schepen gelden de volgende voorrangsregels:
  • Een roeiboot wijkt voor een groot schip. Met andere woorden: pleziervaart wijkt voor beroepsvaartEen roeiboot of kano wijkt uit voor een andere roeiboot of kano die van stuurboord komt
  • Een kleine motorboot wijkt uit voor een kleine zeilboot, een roeiboot of kano
  • Een roeiboot en een kano wijken voor een kleine zeilboot
  • Een roeiboot en een kano moeten als zij zich aan de stuurboordzijde van het vaarwater, of aan de stuurboordzijde van een betonde vaargeul bevinden, doorvaren. Kruisende kleine zeilboten moeten dan uitwijken
  • Boten, die aankomen of vertrekken van ankerplaatsen, ligplaatsen of havens, hebben geen voorrang.

3.3 Naderen op tegengestelde koersen

3.3.1 Bij het naderen van twee boten of schepen op tegengestelde koersen gelden de volgende voorrangsregels:

  • Een roeiboot wijkt voor een groot schip. Met andere woorden: pleziervaart wijkt voor beroepsvaart
  • Roeiboten en kano’s wijken onderling naar stuurboord uit
  • Een kleine motorboot wijkt voor een kleine zeilboot, een roeiboot of een kano
  • Een roeiboot of een kano wijkt voor een kleine zeilboot.

3.3.2 Bij een zodanige versmalling van het vaarwater dat het niet mogelijk is dat twee boten of schepen op tegengestelde koersen elkaar kunnen passeren gelden de volgende voorrangsregels:

Bij stromend vaarwater

  • Een roeiboot die tegen de stroom opvaart geeft voorrang aan een boot of schip dat met de stroom meevaart

Bij niet-stromend vaarwater

  • Een roeiboot wijkt voor een groot schip oftewel: pleziervaart wijkt voor beroepsvaart
  • Een motorboot, roeiboot of kano, indien deze aan stuurboord geen hindernis tegenkomt of aan stuurboord de buitenbocht van het vaarwater heeft, mag zijn weg vervolgen. De andere motorboot, roeiboot of kano moet uitwijken.
  • Een kleine zeilboot heeft voorrang op een kleine motorboot, roeiboot of kano tijdens het doorvaren van de versmalling als de zeilboot deze zonder op te kruisen kan passeren.
  • Een kleine motorboot, roeiboot of kano heeft voorrang op een kleine zeilboot tijdens het doorvaren van een versmalling als de zeilboot deze alleen door op te kruisen kan passeren.
  • Als bij een versmalling het verkeer door middel van tekens geregeld wordt, moeten deze tekens opgevolgd worden en gelden de regels met betrekking tot wel/niet stromend vaarwater niet meer.

3.4 Voorbijlopen

Bij het inhalen van een boot of schip gelden de volgende voorrangsregels:

  • Een roeiboot mag alleen inhalen als daar ruimte voor is en er geen gevaar voor het andere verkeer ontstaat.
  • Het inhalen moet snel plaats vinden. De ingehaalde boot moet zo nodig zijn snelheid verminderen.
  • Een roeiboot mag een groot schip (beroepsvaart) aan stuurboord inhalen. Dit verdient ook de voorkeur.
  • Een roeiboot moet een motorboot, roeiboot of kano zo mogelijk aan bakboordzijde inhalen. Aan stuurboordzijde mag ook worden ingehaald als daar ruimte voor is en er geen gevaar voor het andere verkeer door ontstaat.
  • Een roeiboot moet een zeilboot zo mogelijk aan lijzijde inhalen.
  • Een zeilboot moet zo mogelijk de gelegenheid gegeven worden de roeiboot aan loefzijde in te halen.

3.5 Andere vaarregels

Verder gelden de volgende voorrangsregels:

  • Het keren of oversteken van een vaarwater, het in- en uitvaren van een haven of een nevenvaarwater mag alleen als het andere verkeer niet gehinderd wordt. Deze regel geldt niet voor grote schepen (beroepsvaart)
  • Tijdens het invaren van een haven of een nevenvaarwater moet een met de stroom meevarende boot of schip voorrang verlenen aan een tegen de stroom invarende boot of schip. Deze regel geldt niet voor grote schepen (beroepsvaart)
  • Boten op nevenvaarwater wijken voor boten op hoofdvaarwater, bij twijfel: verkeer van rechts voor laten gaan
  • Pleziermotorboten <20m wijken voor zeilboten, surfplanken, roeiboten en kano’s

3.6 Veerponten

Een veerpont (zoals het fietspontje bij Terheijden) heeft altijd voorrang op een roeiboot.

3.7 Bruggen en sluizen

Zie folder KNRM

3.8 Geluidsseinen

—- Korte stoot, ca 1 sec
———– Lange stoot, ca 4 sec

Algemene seinen (tijdsruimte tussen twee opeenvolgende stoten ca 1 sec)

———– Attentie!
—- —- —- —- —- Aanvaringsgevaar (reeks korte stoten)

—- Ik ga SB uit
—- —- Ik ga BB uit
—- —- —- Ik sla achteruit
—- —- —- —- Ik kan niet manoeuvreren
———— —- Ik ga over SB keren
———— —- —- Ik ga over BB keren
———— ———– —- Ik wil aan SB voorbijlopen
———— ———– —- —- Ik wil aan BB voorbijlopen
———— ———– ———- Ik ga oversteken
———— ———– ———- —- Ik ga een haven/nevenvaarwater in of uit naar SB
———— ———– ———- —- —- Ik ga een haven/nevenvaarwater in of uit naar BB
———— —- ———– Verzoek tot het bedienen van een beweegbare brug/sluis

Bijlage 3 – Roeitermenlijst ABC

Wie nieuw is in de roeiwereld wordt overstelpt met roeitermen. Ook roeiers die van een andere vereniging komen, merken dat niet overal dezelfde termen worden gebruikt. Daarom deze verklarende lijst die tevens ten doel heeft het onvermijdelijke jargon te standaardiseren.

A
Aanhaalhoogte:de hoogte waarop de handles naar de borst worden toegetrokken.
Aanhalen:het laatste stukje van de haal.
Aanleggen:de boot vanuit het water naar de vlotrand brengen.
Aanlegvlak: plek op de dol waar de platte kant van de riem tegenaan ligt.
Aanrijden: het laatste stukje rijden vlak voor de inpik.
Aanroepen: bij dreigende aanvaring roepen naar de bemanning van een andere boot, door het boottype te noemen (bijvoorbeeld: twee-zonder, acht etc.) om de aandacht van de bemanning van die boot te trekken. Aanzwellende haal: een roeihaal waarbij de handles met een steeds toenemende snelheid naar de roeier toe worden getrokken.
Achterdek: taft of dek aan de achterzijde van de boot.
Achterpunt: het puntje aan de achterzijde van de boot.
Achtersteven: schuin naar achter lopend plat vlak aan de achterzijde van een boot waaraan het roer is bevestigd.
Achterstops: kunststof of houten blokjes die voorkomen dat het bankje van de slidings afrijdt. De achterstops zitten het verst van het voetenbord vandaan.
Afriggeren: het verwijderen van de riggers van een boot ten behoeve van transport van de boot.
Afroeien: het voorroeien voor de examencommissie om te laten zien dat de roeier veilig en goed in de boot kan roeien.
Afstelling: de positie en hoek van dol, slidings en kraag ten opzichte van elkaar en de boot. Een “goede” afstelling maakt dat de boot lekker en snel roeit.
Aligneur: bij roeiwedstrijden de functionaris die ervoor zorgt dat de ploegen bij de start exact op één lijn naast elkaar liggen.

B
Backsplash: waterspetters die bij het inzetten van het blad naar de voorkant van de boot toe gaan.
Bak: instructieapparaat in/annex het vlot waarmee de roeier de roeibeweging kan oefenen. De hierbij gebruikte riemen hebben grote gaten, zodat ze makkelijk door het water gaan. Ook wel “oefenbak”.
Bakboordzijde: de linkerkant van de boot vanuit de vaarrichting. Vanaf de roeiplaats: Rood Roeit Rechts.
Balans: de boot ligt horizontaal op het water, dat wil zeggen beide dollen zijn even ver van het water af.
Bankje: bankje met wielen waarop de roeier zit.
B-boot: boottype, dat lijkt op een gladde boot met een uitwendige kiel. Wordt gebruikt als oefenboot.
Bekje: metalen toeter met een hoofdband, gebruikt door de stuur.
Big blade: groot asymmetrisch roeiblad.
Binnenhand: de hand van een boordroeier die het dichtst bij de dol zit.
Binnenhandle: het gedeelte van de riem dat loopt van het handvat (handle) tot aan de dol.
Bint: dwarsverbinding in een houten boot.
Blad plaatsen: blad bij de inpik in het water brengen.
Blad: plat gedeelte aan het einde van de riem om de druk van de riem op het water over te brengen.
Blik: medaille. Ook gebruikt als “blik trekken”: dat wil zeggen een medaille behalen.
Blok: bij roeiwedstrijden een geclusterde groep heats die ononderbroken achter elkaar worden afgewerkt (bijvoorbeeld: “het derde blok”).
Boei:
1. Drijvende bal in het water om een roeibaan te markeren
2. Roeibaan bij wedstrijden waarbij de ploegen naast elkaar starten, bijvoorbeeld “boei 6” betekent roeibaan zes.
Boeg: de roeier die het dichtst bij de voorpunt van de boot zit, of de voorkant van een boot.
Boegbal: bal voorop punt van de boot. Voorkomt letsel bij aanvaring met andere roeiploeg.
Boegenpaar: de twee roeiers die het dichtst bij de voorpunt zitten. Ook wel: boegen.
Bokje: laag bij de grond verplaatsbaar onderstel waarop de boot wordt geplaatst met de open kant naar beneden.
Boord-aan-boord wedstrijd: wedstrijd waarbij twee of meer ploegen naast elkaar starten.
Boord: versterkte bovenrand van de scheepswand.
Boordroeien: het roeien waarbij elke roeier maar één riem heeft.
BPR: Binnenvaart Politie Reglement, een verkeersreglement voor op het water. Elk vaartuig heeft zich hier aan te houden.
Buitenhand: hand van een boordroeier die op het uiteinde van de riem rust.
Buitenhoek (dol): de hoek van de dol naar buiten toe, dus gemeten loodrecht op de boot.

C
Catch: zie Inpik.
C-boot: open roeiboot, smaller dan een wherry.
Coxbox: geluidsapparaat met microfoon dat de stuurman op een aangelegd geluidssysteem aansluit.

D
Dek: de bovenkant van de voor- of achterzijde van een gladde boot. Kan met hard materiaal of een taft afgedekt zijn.
Diepen: roeifout waarbij het blad te ver onder water verdwijnt; een snoek is soms het gevolg.
Diagonaallat: kruislings aangebrachte horizontale houten latten waarop de slidings zijn bevestigd.
Directheid (inpik): de snelheid waarmee bij het aanrijden het blad in het water kan worden geplaatst.
Dol: draaiende houder waarin de riem ligt; die meestal met een dolklep afsluitbaar is gemaakt en bevestigd is op de rigger.
Dolboord: bij houten boot een horizontale plank (gang) waaraan de riggers zijn bevestigd.
Doldruk: de met de armen uitgeoefende druk die ervoor zorgt dat de kragen tegen de dollen blijven.
Dolhoek: de hoek van de dol evenwijdig aan de boot.
Dolklep: zie Overslag.
Dolpen: stalen bout waarop de dol scharniert.
Dompen: de op en neergaande beweging van achter- of voorpunt van een boot.
Door het werk: de roeier rijdt verder op dan het werk.
Door het bankje trappen: roeifout waarbij de roeier tijdens het oprijden ingebogen zit en bij het plaatsen van het blad eerst de rug wegtrapt in plaats van deze te fixeren en de kracht op het blad over te brengen.
Draaien: een boot omdraaien dat wil zeggen de open zijde naar onder of naar boven draaien. Drainagedoppen: kunststof dopjes die het mogelijk maken dat het vocht uit de luchtkamers loopt.
Druk (houden): zorgen dat het blad tijdens de haal voldoende druk op het water uitoefent.
Druk: het verschil tussen de snelheid van het blad en de snelheid van het water.
Drukopbouw: het na de inpik opbouwen van de druk die het blad op het water uitoefent.
Duw- of drukstang: stang van rigger die van de top van de dol naar de boeg van de boot wijst.

E
Easy all: roeioefening waarbij na de uitpik even wordt gestopt alvorens op te rijden.

  • Eerste stop (direct bij de uitpik,schouders nogachter de heupen)
  • Tweede stop (armen gestrekt, rechtop, nog niet ingebogen) = easy all positie
  • Derde stop (armen naar voren gestrekt, rug ingebogen) = positie net voor het oprijden
  • Vierde stop (armen naar voren gestrekt, rug ingebogen op kwart bank)

Ergometer: roeisimulator waarmee binnenshuis de roeibeweging wordt nagebootst.

F
Finale: na voorwedstrijden geroeide wedstrijd waarbij wordt bepaald wie uiteindelijk winnaar is van een bepaalde roeiklasse.
Finish:
1. Onderdeel van de roeihaal, ook wel ‘rondje achterin’: het geheel van bewegingen dat start met het meenemen van de armen in de haal en dan via de uitpik en het draaien van het blad leidt tot het wegzetten.
2. Plek waar de roeiwedstrijd eindigt.
FISA: Fédération Internationale des Sociétés d’Aviron.
Flexfoots: buigbare kunststof plaatjes op het voetenbord waarin de schoenen van de roeier passen.
Frontsplash: waterspetters die bij het inzetten van het blad naar de achterkant van de boot toe gaan.

G
Giek: andere naam voor een boordroeiboot.
Gladde boot: boottype gebruikt voor wedstrijden. Deze boot heeft alleen een inwendige kiel en een gladde huid.
Grundellat: lat op het dolboord of boordrand. Ook wel “lijfhout”.

H
Haal of doorhaal: deel van het roeien van inpik naar uitpik dat tot doel heeft met het blad in het water de boot in beweging te brengen.
Haalbeeld: een soort film van de roeibeweging zoals deze in het hoofd aanwezig is. De waargenomen roeihaal wordt vergeleken met dit mentale haalbeeld en op basis daarvan wordt de roeibeweging beoordeeld.
Haalmodel: de beschreven na te streven roeibeweging.
Haalsegment: het ellipsvormig deel van de haal dat het blad maakt. De haal bestaat uit twee haalsegmenten: (1) van de inpik tot het moment dat de riem loodrecht op de boot staat en (2) van het moment dat de riem loodrecht op de boot staat tot de uitpik.
Hals: het dunste gedeelte van een riem.
Handle: gedeelte van de riem waaraan de riem wordt vastgehouden. Ook “hendel”.
Handvat: zie Handle.
Heat: bij roeiwedstrijden één race waarin roeiploegen tegen elkaar varen. Bijvoorbeeld: “de voorwedstijd bestond uit drie heats”.
Heelstring: verplichte veiligheidsverbinding tussen het voetenbord en de hak van de vaste schoen. Mag niet langer dan 7 cm zijn.
Hoofdstang: stang van rigger die loodrecht op de boot staat.
Hoog scheren: de riemen omhoog brengen bij het oprijden om hoge golven te vermijden.
Hoogte: de afstand van de handle tot de kielbalk van een boot. Hoog aanhalen wil zeggen dat de handle tijdens de haal hoger naar de borstkas moet worden getrokken.
Houden: de boot stoppen door de bladen verticaal te draaien. Hoe abrupter het blad wordt gedraaid hoe harder er wordt geremd. Zie ook Vastroeien.
Huid: wand (romp) van de boot.

I
Inbuigen: door een kanteling van het bekken vanuit de heupen de rug naar voren brengen (na het wegzetten en voor het oprijden).
Inkorten: de haal korter maken.
Inpik: de subtiele beweging waarmee het blad van de riem in het water gebracht wordt.
Instapplankje: zie Voetenplankje.
Intrekken (riemen): de riemen naar binnen trekken, zodat de totale breedte van de boot smaller wordt (zie ook slippen).

J
Jagen: door sneller dan de slag te rijden of met een verkeerd ritme te rijden het rijritme van de slag op te jagen. Hierdoor wordt het roeiritme van de boot verstoord (“niet jagen”).
Juk: onderdeel dat het roerblad met de stuurtouwtjes verbindt.

K
Kamprechter: scheidsrechter bij roeiwedstrijden. Hij vaart vaak in een bootje achter de wedstrijd aan.
Karretje: onderstel met wieltjes waarop de boot wordt geplaatst.
Keermoment: de inpik en de uitpik.
Keren: zie Rondmaken en Ronden.
Kielbalk: bodembalk,”ruggengraat” van de boot, bij de meeste boten inwendig en uitwendig zichtbaar; bij gladde boten alleen inwendig.
Kielstrip: ijzeren of kunststof strip die over de uitwendige kielbalk loopt en waardoor de boot over een oppervlak kan glijden.
Klapje: (strijk)haal zonder op te rijden.
Klippen: zie Opdraaien.
KNRB: Koninklijke Nederlandse Roeibond.
Kolken: de plekken woelig water achter de bladen. Zie ook: Uit de kolken lopen.
Koppelen: de overgang van beentrap naar rugzwaai: de rug neemt het kracht leveren over van de benen. Kraag: opstaande rand die ervoor zorgt dat de riem niet door de dol heen kan.
Kruislat: onderdeel van de constructie van een houten boot: twee latten die in de vorm van een “X”onder de slidings lopen.

L
Land (naar land): de boot moet richting de oever worden gebracht.
Landvast: touw om de boot vast te maken.
Lappen: het na het varen met een dweil of vaatdoek droog- en schoonvegen van de boot.
Laten lopen: stoppen met roeien (haal afmaken), gevolgd door “bedankt”: bladen plat op het water.
Leggers: (verschuifbare) steunen in de stelling in de loods om de boot op te leggen.
Loopt (boot): de boot loopt wil zeggen dat de roeiboot een goede snelheid heeft en daarom drijft (planeert) op een bellenbaan van lucht die door de snelheid onder de boot komt.
Luchtkamers: holle afsluitbare kamers in de boot die het drijfvermogen intact houden bij water maken. Deze worden afgesloten met een ventilatieklep of een drainagedop.

M
Macon blad: symmetrisch roeiblad, kleiner dan een big blade
Manchet: extra kunststoffen bescherming van de riem op de plaats van de dol.
Middenschip: de twee roeiers (in een vier) tussen slag en boeg of de vier roeiers (in een acht) tussen slagen en boegen.

N
Naduiken: roeifout waarbij de rug vlak voor de inpik naar voren wordt gebogen.
Nummering: elke roeiplek in een boot heeft een nummer. Deze nummering telt vanaf de boegplaats naar de slagplaats, de boeg is altijd nummer één.

O
Oars: Engels woord voor boordriem respectievelijk boordroeien.
Ongeklipt blad: ongedraaid blad.
Opdraaien: draaien van het blad van een horizontale in een verticale stand (voor de inpik) en van een verticale in een horizontale stand (na de uitpik).
Oplopen: inhalen.
Opriggeren: het bevestigen van de riggers op de boot.
Oproeibaan: van de wedstrijdbaan afgescheiden roeibaan, vaak gemarkeerd met boeien, die wordt gebruikt om de ploegen naar de start te laten roeien.
Oprijden: met het bankje naar voren rijden door de benen vanuit een (bijna) gestrekte stand te buigen. Outrigger: zie Rigger.
Overlap: bij een scullboot het aantal centimeters dat beide riemen elkaar overlappen.
Overslaan: roeifout waarbij het blad bij de inpik niet meteen het water pakt.
Overslag: klepje dat dol afsluit zodat riem er niet uit kan is.

P
Paal: zie Riem.
Piket: baanmarkering: een stok met een vlaggetje er aan die in het water drijft of in de grond gestoken is. Pikhaak: stok met haak en punt om de boot af te houden of aan te trekken dan wel zaken uit het water op te vissen.
Pilaar: een rechtopstaand stuk hout tussen de bint en de inwendige kielbalk (bij houten boot).

R
Recover: deel van het roeien van uitpik naar inpik. Ontspannen deel van de roeibeweging.
Riem: lange steel met aan het uiteinde een blad om de boot mee voort te bewegen.
Rigger: metalen/kunststof uithouder voor de riem, meestal een ijzeren stangenconstructie die aan de boot is bevestigd.
Ritme: de verhouding tussen haal en recover. Normaal duurt de recover twee tot drie maal langer dan de haal.
Roeibeweging: de haal en recover samen.
Roeien: het met riemen voortbewegen van een boot.
Roer: hiermee wordt de boot gestuurd.
Roerblad: het blad van het roer, dat daadwerkelijk stuurt.
Roerpen: metalen pen die bij sommige roeren aanwezig is om het roer aan de boot te bevestigen.
Ronden: zie rondmaken en keren.
Rondmaken: de boot achterstevoren (180 graden) draaien.

S
Schraag: verplaatsbaar en vouwbaar onderstel waarop de boot wordt geplaatst met de open kant naar onder.
Scullen: roeien waarbij elke roeier twee riemen heeft.
Singel: verplaatsbaar en vouwbaar onderstel geschikt om de boot met de open kant naar boven te plaatsen.
Skeg: zie Vinnetje.
Slag: de roeier het dichtst bij de achtersteven.
Slagenpaar: de twee roeiers die het dichtst bij de achtersteven van de boot zitten.
Sliding: metalen strips (rails) waarover het bankje rijdt.
Slifferen: roeifout waarbij de riemen het water aantikken of over het water strijken.
Slippen: de riemen zo veel mogelijk parallel aan de boot brengen, waardoor de breedte van boot en riemen gereduceerd wordt en een obstakel vermeden kan worden. Bijvoorbeeld om een smalle brug door te komen.
Slotbout: bout met vierkant onder de kop waarmee een rigger op de (houten) boot zit.
Snel water pakken: instructieterm om de effectieve lengte van een haal te vergroten
Snoek (vangen): roeifout, ook wel snoeken genoemd. De riem er bij de uitpik niet op tijd uit krijgen.
Span: bij het scullen de afstand tussen beide dolpennen. Bij het boordroeien is de dolafstand de afstand tussen de dolpen en de middellijn van de boot.
Spant: haaks op de kiel aangebrachte houten steunstukken, die de constructie van de boot vormen waarop de huid is bevestigd.
Sparren: (informeel) wedstrijdje tussen een of meer ploegen.
Speedcoach: draagbaar elektronisch apparaat om snelheid en slagtempo in de boot te meten.
Spoelen: oefening waarbij de bladen zonder druk door het water worden bewogen.
Spoorstok: dwars lopende stok van het voetenbord waarop de schoenen of de voetenclips zijn bevestigd.
Stelling: constructie in de loods waar de boten op liggen.
Stop: eerste, tweede en derde stop, zie Easy all.
Steunen: het goed volgen en daarmee doorgeven van het door de slag(en) aangegeven tempo (“slag steunen”).
Strokecoach: draagbaar elektronisch apparaat om slagtempo in de boot te meten.
Strijken: omgekeerd (achteruit) roeien.
Stuur: stuurman die de boot stuurt, is volgens het BPR de schipper.
Stuurboordzijde: de rechterkant van de boot vanuit de vaarrichting. Vanaf de roeiplaats de linkerzijde. Verder: stuurboordwal houden (primaire verkeersregel op het water).
Stuurtouwtje: touw aan het roer om vanuit de stuurpositie het roer te bedienen.

T
Taft: kunststof doek waarmee de bovenzijde van een houten boot aan voor- en achterkant is dichtgemaakt.
Tempo: aantal halen per minuut.
Trekstang: stang(en) van rigger die vanaf de dol naar de achterzijde van de boot wijst.
Tubben: roeioefening waarbij een deel van de ploeg de boot stabiel houdt door de bladen op het water te leggen en de rest van de ploeg roeit.

U
Uit de kolken lopen: bij meermansboten de afstand tussen de laatste kolk in het water die de vorige haal heeft achtergelaten en de plek waar de slag zijn riem voor de nieuwe haal in het water zet. De afstand is een maat voor de kracht waarmee wordt geroeid: de boot loopt dan goed uit de kolken.
Uitlengen: het langer maken van de haal.
Uitpik: zie Uitzet.
Uittrappen: met je voeten tegen het voetenbord duwen waardoor de benen (bijna) worden gestrekt.
Uitzet: ronde, subtiele handbeweging waarbij het blad uit het water wordt getild.

V
Vallen (over een boord): de boot raakt uit balans waardoor deze boot scheef ligt.
Vast: zie Vastroeien.
Vaste bank (roeien): roeien zonder op te rijden.
Vastroeien: blad plat op het water leggen en iets verticaal draaien. Uitvoering aan één zijde om een stuurmoment te creëren (licht houden).
Veilig boord: bij het afduwen en aanmeren de riemen aan landzijde vrij van het vlot houden door de hendel(s) aan zeezijde naar het bovenbeen te drukken, terwijl het blad cq de bladen plat op het water liggen. Niet met het bovenlichaam overhellen om de boot te laten overhellen!
Ventilatieklep: klep op een gat waarmee de luchtkamer van de boot wordt afgesloten.
Vinnetje: verticaal plaatje onder de boot dat de rechtuit-stabiliteit bevordert en een er achter geplaatst roertje extra effect geeft.
Vlaggen: roeifout waarbij de riemen bij het aanrijden te hoog over het water naar de inpik worden gebracht.
Vleugelrigger: rigger gecombineerd met spant, geeft gewichtsbesparing in kunststofboot. Ook wing rigger.
Vliegende start: start van een wedstrijd, waarbij de boot al snelheid heeft.
Vlonders: vloerplanken in de boot.
Vloot: het botenbezit van de vereniging.
Vlot: drijvend aan de oever verankerd platform vanwaar roeiactiviteiten plaatsvinden. Verder: startvlot en oefenvlot.
Voetenbord: schuine plank met vaste schoenen of riemen waar de voeten/schoenen in worden geplaatst. Voetenbordstrip: metalen strip waarop het voetenbord naar voren of achteren kan worden versteld.
Voetenplankje: plankje tussen de slidings waarop de voet wordt gezet bij het instappen.
Voor het werk: de roeier rijdt minder ver op dan het werk.
Voordek of voortaft: dek of taft aan de voorzijde van de boot.
Voorplecht: plat horizontaal deel op de voorkant van een open boot.
Voorslaan: roeifout waarbij een van de roeiers eerder inpikt (voorslaat) dan de rest van de ploeg.
Voorstart: plek waarop bij een vliegende start begonnen wordt met het opbouwen van snelheid, zodat de boot op volle snelheid door de start heen gaat.
Voorsteven: verlengde van de uitwendige kielbalk aan de voorzijde van een boot.
Voorstops: kunststof of houten blokjes die voorkomen dat het bankje van de slidings afrijdt. De voorstops zitten het dichtst bij het voetenbord.
Voorwedstrijd(en): roeiwedstrijden voorafgaand aan de finale om te bepalen welke ploegen de sterkste zijn en dus een plek in de finale verdienen.

W
Waterkering: V-vormige constructie boven het voordek, die voorkomt dat er water de boot in loopt.
Wedstrijdbaan: de baan die bij de roeiwedstrijd moet worden afgelegd, vaak gemarkeerd met boeien en/of piketten.
Wegzet: het wegduwen van de riemen na de uitzet.
Werk: plek op de sliding ter hoogte van het aanlegvlak van de dol.
Wherry: brede open boot waarin gemakkelijk balans kan worden gehouden.

Z
Zagen: roeifout waarbij het blad tijdens de haal een op en neer gaande beweging laat zien (vaak veroorzaakt doordat de druk tijdens de haal niet constant is).
Zee (naar): in de richting van het water.

 

Bijlage 2 bij hoofdstuk 2 – Materiaal – Regels voor gebruik wherrywagen

Aandachtspunten m.b.t. laden en rijden; zie ook bijlage 1

1. Botenwagen

  • De chauffeur zorgt dat de banden op spanning staan voor je een toertocht gaat maken en doet dit voordat de boten opgeladen zijn.
  • De chauffeur checkt de verlichting door zijn auto ervoor te zetten en de connectie van de lichten te controleren. De lichtbalk staat achterin de Rapp-loods.
  • De chauffeur neemt de pot-krik en de kruissleutel mee in zijn auto voor het geval er bandenpech is, deze liggen in de grijze kast achter in de Rapp-loods. Tevens zorgt hij voor een disselslot, dit ligt bij de afschrijfcomputers. Let er op om ook het bijbehorende hangslot mee te nemen.
  • De wherrywagen heeft geen eigen kenteken. De chauffeur moet zelf voor een metalen witte kentekenplaat zorgen, met daarop het kenteken van de trekkende auto. Neem ook passende boutjes/tiewraps mee om de kentekenplaat op de botenwagen te monteren.
  • De wherrywagen heeft een 7-polige stekker voor aansluiting op de trekkende auto. Zorg zelf voor een verloopkabel of een verloopstekker indien de trekauto niet een 7-polige maar een 13-polige aansluiting heeft.

2. Laden van de botenwagen

  •  De boten worden de avond voor vertrek opgeladen.
  • De wherry’s hebben een vaste plaats op de botenwagen; de Donge is de lichtste en deze ligt altijd bovenop, de Henk Cosijn in het midden en de Jan van Gent, onze grootste en zwaarste wherry moet altijd onderop. Meer boten dan drie wherry’s mogen niet op deze botenwagen vervoerd worden, vanwege instabiliteit bij het rijden en omdat dan het maximale gewicht wordt overschreden.
  • De tas met spanbanden, kussentjes en elastieken voor het bruine zeil liggen in de grijze toerroei-kast achterin de Rapploods.
  • Bij het laden van de boten moeten de stempels achteraan de botenwagen uitgezet worden. De lichtbalk dient bij het laden van de boten verwijderd te zijn. Laad de wherry’s tot bijna boven de kogelaankoppeling van de dissel.
  • Zorg dat alle landvasten ingekort en vastgebonden zijn, zodat ze er niet uit kunnen hangen. Met de landvasten kunnen ook de inklapbare riggers vastgebonden worden aan de spanten teneinde beschadiging te voorkomen.
  • Riemen en losse onderdelen, zoals rugsteunen, vloerdelen, rolbankjes en dergelijke worden uit de boten gehaald en zullen als laatste in de onderste boot, de Jan van Gent, worden weggelegd zodanig (riemen lepelsgewijs) dat de kogeldruk circa 30 kg is. Het bruine zeil dekt uiteindelijk de Jan van Gent af, zodat alles veilig opgeborgen ligt in de onderste boot.
  • Let bij het laden van de Donge op de staalkabels bij het passeren van de riggers, die om beurten eromheen gehaald moeten worden.
  • Zorg dat de stalen kabels niet tussen de kettingen van de balken of de spanbanden komen.
  • Let er op dat de spanbanden strak, dus niet gedraaid, onder de boot gespannen zijn om schuurschade te voorkomen.
  • Zorg dat de ratel van de spanbanden een beschermplastic of handdoek heeft bij de huid van de boot om lakschade te voorkomen.
  • Zorg dat de spanbanden na het opspannen ingekort worden om lakschade door flapperen te voorkomen.
  • Controleer dat de boten in het midden van de botenwagen hangen voor een goede gewichtsverdeling in verband met de stabiliteit bij het rijden.
  • Zorg ervoor dat de ratel van de lier steeds aan staat en hoorbaar is, zo voorkom je het losschieten van de kabels en een duik van de boot.
  • Zorg dat de spanbanden steeds goed aangetrokken zijn, zodat de boot niet kan bewegen, maar let op, te strak aangespannen kan de spanten beschadigen.
  • Check dat de ratel van de spanbanden aan de bermzijde zit (dus niet aan de chauffeurskant!) omdat je dan veilig staat, mocht er onderweg iets bijgesteld moeten worden.
  • Zorg bij het inladen van de Jan van Gent dat de koperen punt niet in de huid van de bovenliggende boot prikt. Houd hiervoor de Jan van Gent achteraan wat omhoog.
  • De boten hangen altijd met spanbanden aan een balk die met bouten en borgpennen vast zit. De naam “R.V. Breda” moet bovenaan geplaatst worden, zodat hij leesbaar is voor achterliggers.
  • De lichtbalk gaat als laatste aan de botenwagen en wordt met een spanband aan de Jan van Gent opgebonden, zodat hij echt strak eronder hangt en niet gaat bewegen bij een verkeersdrempel.
  • Let er bij het aanbrengen van de lichtbalk op dat de lading niet meer dan een meter achter de lichtbalk uitsteekt. Anders moet een “Markeringsbord lange lading” (diagonaal rood-wit gestreept, afm. 0,50 m x 0,50 m) aangebracht worden dat ’s nachts en bij slecht zicht overdag moet zijn verlicht.

3. Voor vertrek

  • Controleer of de verlichting van de botenwagen werkt en kijk of de elektrische kabel niet over de grond sleept alvorens je wegrijdt.
  • Controleer of de kogeldruk goed is nadat de stempels ingetrokken zijn en goed vastgezet zijn.
  • Vraag indien mogelijk om iemand achter de botenwagen te laten rijden ter controle, mocht er onderweg iets los raken.
  • Neem bij het uitrijden van de roeivereniging de busbaan, omdat de gewone rijstrook te krap is om te draaien en de botenwagen de vluchtheuvel dan ramt!
    Opmerking: Het reservewiel onder de botenwagen is moeilijk bereikbaar als de boten erop liggen. Het is handig de reserveband van te voren in de auto te leggen.

4. Rijden met de wherrywagen

  • De chauffeur heeft een geldig rijbewijs nodig. Rijbewijs B volstaat, mits de trekauto aan de eisen voldoet. Zie bijlage 1 para 4.
  • De verzekering is identiek aan die van de wedstrijdbotenwagen (zie bijlage 1 para 5). Resumé: kosten bij ongeval zijn voor de verzekering van de chauffeur. Tenzij die niet uitkeert kan een beroep gedaan worden op de WA-verzekering van de Roeivereniging).
  • De chauffeur houdt zich aan de maximumsnelheid van 90 km/u, in het buitenland vaak 80 km/u.
  • Rij niet vanaf KNMI weercode geel, omdat de boten veel wind vangen.

5. Eigenschappen van de botenwagen.

  • Reg. Nummer EG 71/320 21-2-4-1-0-5133
  • Koppeling geschikt voor 500 – 1000 kg
  • Kogeldruk: 75 kg maximaal
  • Bandenmaat: 165R1382T
  • Bandenspanning: 3,8 bar bij volbeladen; verhoog de bandenspanning van de trekauto met 0,4 bar
  • Leeggewicht 355 kg
  • EU wettelijk maximum gewicht volbeladen wherrywagen met witte kentekenplaat: 750kg.

Bijlage 1 bij hoofdstuk 2- Materiaal – Regels voor gebruik botenwagens

1. Algemeen

De vereniging heeft een botenwagen voor het vervoer van glad materiaal en C-boten en een wherrywagen, die alleen geschikt is voor het vervoer van wherry’s. Daarnaast leent de vereniging vaak een botenwagen van een lid. Soms wordt het vervoer met andere roeiverenigingen gecombineerd. Een botenwagen vraag je aan bij de Wedstrijdcommissie. De wherrywagen bij de Toercommissie (zie verder bijlage 2). Voor het trekken van botenwagens gelden bepaalde rijbewijseisen. Ook is het verstandig van te voren de verzekering aandacht te geven. Het rijden met botenwagen is geen sinecure en vereist nauwgezette voorbereiding, in het bijzonder bij het beladen. De verantwoordelijkheid voor het trekken van de botenwagen berust bij de ploeg(en) die aan de wedstrijd deelneemt/deelnemen. De volgende tekst gaat primair over het gebruik van botenwagens bij wedstrijden. Specifiek para 5 gaat over de wherrywagen.

Wedstrijden

De avond voor de wedstrijd riggert iedere deelnemende ploeg zijn eigen boot af en zorgt dat deze, inclusief toebehoren, op de botenwagen is vastgelegd. Waar mogelijk dienen boten in beschermende hoezen vervoerd te worden. Na de wedstrijd rijdt de botenwagen weer terug, waarna de ploegen de boten dezelfde avond weer afladen, opriggeren en op de juiste plek in de loods leggen. De Wedstrijdcommissie schrijft boten voor een wedstrijd af in het BRS.

Naast het inschrijfgeld betalen deelnemers aan een wedstrijd per persoon een kostendekkende bijdrage voor het botenvervoer, gebaseerd op de totale kosten van de botenwagens per jaar. De chauffeur van de trekker van de botenwagen kan, mits met een privé auto rijdend, de werkelijke brandstofkosten declareren en bovendien € 0,15 per km voor de vaste autokosten plus de eventuele parkeerkosten. Hij/zij kan deze met een bonnetje declareren bij de penningmeester. Chauffeurs met een auto van de zaak kunnen alleen hun parkeerkosten declareren.

Rijden met de botenwagen

De meeste chauffeurs van trekauto’s hebben ervaring met het rijden met een caravan of een lichte aanhangwagen. Het rijden met een botenwagen stelt echter veel hogere eisen aan de chauffeur. De aanhanger is veel langer dan een ‘bakkie’ en je kunt op onverwachte plaatsen terecht komen waar je moeilijk kunt manoeuvreren. Hij zwaait achter ook ver uit. Als je voor het eerst een boten- of wherrywagen gaat trekken is het verstandig dit onder begeleiding te doen van iemand die hier ervaring mee heeft.

Besef dat er snel voor 180.000 euro aan boten op de wagen ligt. En aan riemen voor zo’n 12.000 euro. Dus een verenigingsbelang om voorzichtig te zijn.

De maximum snelheid van de combinatie is 90 km/uur, in het buitenland vaak 80 km/uur. Als deze gaat slingeren: niet remmen maar gas loslaten en uit laten rollen.

Een botenwagen is een grote windvanger achter je auto: ga bij een KNMI-weercode geel (gevaarlijk weer) of hoger nooit met de boten- of wherrywagen op pad. Bij twijfel laat je hem – zo mogelijk in overleg met de wedstrijd- of toercommissie – gewoon staan en dan halen we hem later wel op: veiligheid boven alles.

Kenmerken en eisen

De verenigingsbotenwagen heeft een eigen kenteken WB-PB-97 Kentekenbewijs). Een kopie hiervan is in de bak aan de voorkant tegen de wand bevestigd.

De wagen weegt 620 kilo (leeggewicht) en de maximum voertuigmassa is 1300 kilo; het laadvermogen is dus 680 kilo. De minimale gewichten van boten vind je in § 2.2.1. In de praktijk ga je eigenlijk nooit over het laadvermogen van 680 kilo heen. De botenwagen heeft een veiligheidsremkabel.

Je mag de botenwagen met een rijbewijs B+ (code 96) of BE trekken. Het kan uitmaken of je je rijbewijs voor of na 2013 hebt behaald. Verder nagaan of de trekauto voldoet aan de eis van maximale trekhaaklast. Zie daarvoor en voor de officiële tekst betreffende rijbewijseisen https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/rijbewijs/vraag-en-antwoord/met-welk-rijbewijs-mag-ik-een-motorvoertuig-met-aanhangwagen-besturen

Verzekering

In het onverhoopte geval dat je schade rijdt terwijl de verenigingsbotenwagen achter je auto hangt, dien je die op je eigen verzekeringspolis te claimen. Blijkt echter dat je eigen polis de schade niet dekt, dan heeft de RV Breda daarvoor een Casco Eigendommenverzekering ( Casco Eigendommen Vrijwilligersverzekering) die maximaal € 10.000 dekt voor een schade aan de eigen auto.

Ook als de schade wél gedekt is door je eigen verzekering, maar je hebt nadeel in je no-claim korting of raakt die kwijt, dan compenseert de Casco Eigendommenverzekering het no-claim verlies tot maximaal € 500 ingeval van een WA-verzekering en maximaal € 2.000 bij een All Risks-verzekering. Het eigen risico bij een casco schade wordt tot maximaal € 300 vergoed. Er geldt wel altijd een eigen risico van € 75 per gebeurtenis.

Beladen

Het gebruik van de botenwagen vindt altijd plaats in overeenstemming met aanwijzingen van of namens de materiaalcommissaris of de wedstrijdcommissaris, vaak vergezeld van een laadschema met de namen van de boten. Ruim voor het laden van elke botenwagen wijst de betreffende commissie een laadmeester aan. Deze heeft de regie over het beladen, waarbij de volgende aanwijzingen gelden.

  • De laadmeester houdt toezicht bij de belading, heeft contact met de ploegen en past onderstaande regels toe. Hij heeft het laadschema en de checklist bij de hand, evenals de startvolgorde van de wedstrijd
  • Boot afriggeren. Daarna hoes/hoezen aanbrengen. Geldt zo mogelijk voor alle boten.
  • Boot erop: voor/achter/hoog/laag/binnen/buiten. Boten zover mogelijk naar voren en naar binnen leggen. Punt liefst naar voren.
  • Een boot mag maar op twee punten steunen. Indien de boot op meer punten steunt moet er voor of achter een plankje onder geschoven worden. Plankje apart met kleefband vastmaken.
  • Een boot alleen op de twee steunpunten vastbinden. Zorg dat er geen spanning op de boot komt.
  • Vastmaken met spanbanden (aanwezig in de loods, steuntjes boven afschrijfcomputer). De metalen klemmen van de spanbanden mogen de huid van de boot niet beschadigen. Klemmen of tegen de ligger of omwinden.
  • Een skiff of twee mag niet op het taft steunen, het taft is dan mogelijk na twee kuilen in de weg kapot!
  • Achten mogen alleen gedeeld op de botenwagen.
  • Riemen: in de bak en zo ver mogelijk naar voren schuiven (voor gewichtsverdeling en veiligheid bij hard remmen).
  • Het dekzeil achter een meter vast laten zitten.
  • Riggers: liefst door de ploegen zelf mee laten nemen. Bij een volle botenwagen passen niet alle riggers in de bak.
  • Bankjes: bij elkaar binden met touw of in een rode bak doen. Liefst ook met de ploeg zelf mee.
  • Schragen: op de riemen leggen. De schragen met lange spanbanden vastbinden.
  • Klein spul in kratten.
  • Neem de grote plastic zak mee met reserve verlichtingsspullen (staat in de ruimte links van de verfruimte). Hierin: reserve-verlichtingsbalk, een batterij fietsachterlicht en een rol tape.
  • Riemenbak netjes afdekken, als een tentje.
  • Loop nog eenmaal na of alle boten vastliggen en dat het laadschema is gevolgd.
  • De verlichtingsbalk niet al te ver uitschuiven (anders breekt deze af) maar wel zo ver dat de boten minimaal uitsteken.
  • Waarschuwingsvlaggen aanbrengen
  • Controleren van de kogeldruk, deze moet minimaal 50 kilo zijn (dat is vijf volle emmers water), maar 70 of 80 kilo is beter. Niet in je eentje tillen en voelen, denk aan je rug.

7. Aankoppelen botenwagen

  • Bijrijder is verplicht.
  • De verenigingsbotenwagen heeft een 7-polige stekker. De leenbotenwagen heeft een 12-polige stekker. Zorg zo nodig voor verloopstekkers.
  • Laat de koppeling zakken op de trekhaak met de slinger van het neuswiel. Als de koppeling van de botenwagen op de trekhaak klikt, controleer of de indicator groen wordt.
  • Draai nu eerst de botenwagen weer omhoog met het neuswiel en controleer of deze vast blijft zitten aan de trekhaak.
  • Draai daarna het neuswiel geheel naar boven.
  • Sluit de breekkabel aan naast de trekhaak aan het daarvoor bedoelde oog. Niet met een lusje om de trekhaak, dat is verboden.
  • Sluit de 7-polige stekker aan, zo nodig via een verloopstekker naar 13-polig.
  • Controleer de werking van de remmen en de achter- en zijlichten van de botenwagen. Zo nodig connecties schuren of spray gebruiken.
  • Controleer of alle boten goed vast liggen en het zeil goed dicht is, zijsteunen gemonteerd en alle pennen van de zijsteunen geblokkeerd.
  • Bandenspanning controleren. Bij halve belading 3,0 bar en bij volle belading 3,8 bar. De achterbandenspanning van de trekauto met minimaal 0,4 bar verhogen
  • Handrem eraf halen

8. Rijden en parkeren

  • Controleer voor het wegrijden nogmaals de handrem en de verlichting.
  • Bij wegrijden en aankomen: bijrijder stapt uit en kijkt mee!
  • Omzichtig manoeuvreren met de losse wagen. Het neuswiel en de achterkant zijn al te vaak kapot gereden. Let bij het manoeuvreren op de punten van de boten die ver uitsteken.
  • Op parkeerterreinen en andere drukke plaatsen beter afkoppelen en duwen dan aangekoppeld rijden. Voortdurend bedacht zijn op de voor omstanders onverwachte grootte van de wagen.
  • Let bij korte bochten op afsnijden van de bocht door de wagen als geheel en het uitzwaaien van het achterdeel. Als je ergens links voorgesorteerd staat en linksaf gaat, dan zwenkt het achterdeel en de achter uitstekende boten vrij ver over de rechter weghelft uit.
  • De maximum snelheid in Nederland is 90 kilometer per uur, altijd en onder alle omstandigheden. Ga dus op tijd weg om ruim op tijd (minimaal één uur voor de eerste start) aanwezig te zijn. Te laat wegrijden haal je niet meer in!
  • Het slot altijd na afkoppelen gesloten op de koppeling vastzetten, dan raakt het niet weg.

9. Meest voorkomende problemen

  • Te lage bandenspanning bij trekauto of botenwagen.
  • Koppeling niet vast.
  • Neuswiel niet volledig omhoog.
  • Zijsteunen niet juist geborgd.

10. Slim in – en uitladen, ook op het wedstrijdterrein

  • Bij het inladen de riemen en de riggers van de ploegen die als laatste deelnemen, onderop.
  • Bij de wedstrijd: na het roeien eerst riemen en riggers van de andere ploegen eruit halen. Leg daarna jouw spullen allemaal onderop. Tel of je alles hebt. Dat voorkomt dat anderen in de botenwagen moeten gaan trekken om hun spullen eruit te halen.

11. Botenwagen laden, regels tijdens de wedstrijd en terug (verkorte versie)

  • Er moet een laadmeester bij het laden zijn, deze heeft de regie. Zet de botenwagen klaar in de richting van het hek. Maak het dekzeil open, laat het achteraan een meter vastzitten
  • Zorg dat je het laadschema en de checklist bij de hand hebt. Idem de startvolgorde van de wedstrijd.
  • Leg alle riemen naast de botenwagen. Riggers en bankjes in kratjes. Bij een volle botenwagen moeten riggers en bankjes mee in de auto’s.
  • Raadpleeg de startvolgorde van de wedstrijd. Van de boten die als laatste starten moeten de riemen en evt. de riggers onderop. Bovenop de riemen van de eerst startende boten. Leg wat handdoeken en slidingdoekjes over de riemen en daar bovenop de schragen. De riemen van de boten die als eerste starten aan de buitenkant leggen.
  • Spreek af wie tijdens de wedstrijd voor de botenwagen verantwoordelijk is.
  • Haal de riemen uit de botenwagen die als eerste nodig zijn. Leg die op een goede plaats.
  • Haal de eerste boten van de botenwagen af. Hoezen netjes oprollen. Riggers en bankjes uit de auto(’s).
  • Boot goed opriggeren. Let op juiste hoogte van de riggers. Eén persoon per ploeg moet alles controleren. Wijs die aan.
  • Nu alle andere riemen uit de botenwagen halen en geordend neerleggen voor de volgende ploegen.
  • Bij terugkomst je boot afriggeren. Riggers en bankjes klaarleggen voor in de auto’s. Hoes om de boot. Riemen onderop in de botenwagen. Zo mogelijk de boot al op de botenwagen. Beste nu aan de binnenkant. En vastmaken.
  • Tel of je alles hebt ingeladen: riemen, riggers, bankjes, schragen
  • Laadmeester controleert of alle ploegen hebben ingeladen en sluit de boetenwagen af. Riggers en bankjes mee in de auto’s.
  • Boten opgeladen en op de juiste manier vastgemaakt. Dekzeil weer als tentje over de bak en alle haakjes vastgemaakt.
  • Controleer of alle borgingen van de zijstangen vast zitten. Loop nog een rondje om te zien of er nog ergens riemen, voetenborden of schragen zijn.
  • Na terugkeer op de vereniging boten opriggeren. Hoes/hoezen oprollen.
  • Is het een meerdaagse wedstrijd, dan goed op de volgorde van inladen letten. Voorkom dat je de volgende dag onnodig het materiaal bij uithalen beschadigt.

Laadlijst_en_Retourlijst_Wedstrijdbotenwagen

Voorbeelden belading:
Verenigingsbotenwagen 7-polig en drie niveaus.

Bij een lage auto kunnen op niveau 2 ook twee ongestuurde vieren

Voorbeelden belading:
Leenbotenwagen 13-polig en vier niveaus

Bak rommelig en bak netjes

Botenwagen Roeivereniging Breda

 

Hoofdstuk 9 – Veiligheid

Veiligheid algemeen
Aspecten van Veiligheid
Roei- en Vaarverboden
Basisvaarregels
Toezicht op veiligheid

Watersport kent grote risico’s. Bij roeien komt daar nog eens bij het varen in ranke en kwetsbare boottypes en met het zicht naar achteren. Veiligheid op het water is daarom ‘een halszaak’. Omdat veiligheid daar niet ophoudt, geven wij bij de RV Breda ook aandacht aan veilig werken op de terreinen en in de gebouwen. Bij ons is veiligheid niet alleen een kwestie van bestuur en commissies, zoals de veiligheidscommissie, maar van alle leden. Wij houden elkaar scherp en passen afgesproken regels toe.

9.1 Veiligheid algemeen

9.1.1 Algemene aandachtspunten voor je in de boot stapt

  • Ga alleen roeien als je je fit voelt. Neem geen risico’s. Besef dat je zelf verantwoordelijk bent.
  • Je mag alleen een boot gebruiken als je in het bezit bent van de voor die boot geldende oefen-, roei-en/of stuurbevoegdheid. Zie de overzichten in de hoofdstukken 5 Afroeien en 8.3 Jeugdroeien plus voor welk boottype deze zijn vereist.
  • In alle gevallen, waarin je onder leiding van een instructeur oefent in boten, waarin je nog niet hebt afgeroeid, moet de instructeur zich binnen roepafstand bevinden.
  • Stel je zonodig op de hoogte van de weersverwachting (bijv. via Buienradar).
  • Controleer altijd of je boot voldoet aan de veiligheidseisen (boegbal; heelstring en quick releases).
  • Wees je bewust van de watertemperatuur. Lees deze af op een waterthermometer bij het vlot of ga naar https://waterinfo.rws.nl/#!/kaart/watertemperatuur/. Deze link geeft onder meer de watertemperatuur aan van het Volkerak die vrijwel steeds binnen een graad van de temperatuur van de Mark is.
  • Bij trainingen in de winter of het vroege voorjaar in een skiff, luidt het advies niet alleen te varen maar met meerdere skiffeurs en/of een volgboot met reddingston. Neem altijd voorzorgsmaatregelen: (waterdicht verpakte) telefoon mee, aluminiumdeken en voldoende warm gekleed. Kies je ervoor alleen te gaan, zorg dan in ieder geval voor het vastleggen van een telefonisch contact.
  • Zie ook https://www.knrm.nl/images/downloads/Onderkoeling.pdf. Besef (met name als skiffeur) dat omslaan bij lage watertemperaturen tot koudeschok en/of onderkoeling kan leiden. Bij koudeschok kun je niet zwemmen. Onderkoeling verloopt sluipend en kan overleven in het water bedreigen. Bij 5°C watertemperatuur heb je ongeveer 30 minuten. Vanuit het midden van de zwaaikom ter hoogte van de Markkanaalbrug bijvoorbeeld kom je mogelijk in de gevarenzone. Ook bij 10-12°C treedt al vaak onderkoeling op.
  • Als je op de Mark omslaat buiten de bebouwde zijde van Terheijden (dus ook de overkant van de vereniging) moet je rekenen met 1,5 -2 km (reeds onderkoeld) lopen door bouw- en weiland om het eerste huis te bereiken. Roeien kost minder energie om de vereniging te bereiken.

9.2 Aspecten van Veiligheid

  • Hoe veilig roeien is hangt af van je bewustzijn van de risico’s en je eigen gedrag als roeier of stuurman.
  • Houd voldoende rekening met de overige gebruikers van het roeiwater (andere roeiers, vissers, beroeps- en recreatievaart), het weer, het gebruikte materiaal.
  • Let op je persoonlijke veiligheid en vermijd onnodige risico’s.

9.2.1 Scheepvaart

Je eigen positie op het water kun je niet los zien van de scheepvaart en dat bepaalt vaak de veiligheid van je eigen boot. Kies daarom altijd de meest veilige positie op water en vaar strak aan de SB-wal. Als stuurman of sturende roeier moet je flink vooruitkijken of frequent omkijken. Houd rekening met het ontstaan van dode hoeken en anticipeer op het mogelijke gedrag van de andere watergebruikers. Bedenk dat een roeiboot dicht op het water ligt en daardoor voor andere watergebruikers moeilijk zichtbaar is. Bovendien is een roeiboot erg kwetsbaar en slaat bij een aanvaring snel om. Veel wherry’s en C-boten hebben geen drijfvermogen, kunnen na omslaan zinken en zijn nutteloos als drijfelement voor drenkelingen. ‘Lange’ roeiboten zijn moeilijk te sturen; uitwijken en rondmaken kost daarom veel tijd en ruimte. Koerswijzigingen kunnen dus nooit abrupt zijn.

9.2.2 Weersomstandigheden

9.2.2.1 Veiligheid op het water is zeer afhankelijk van de heersende weersomstandigheden. Factoren die hierbij van direct belang zijn:

  • lage temperatuur van lucht en water
  • hoge temperatuur en felle zon
  • harde wind
  • slecht zicht
  • onweer

9.2.2.2

Richtlijn Zichtbaarheid van de KNRB

De KNRB heeft een richtlijn zichtbaarheid uitgebracht. Hoewel roeiverenigingen zelf
bepalen op welke wijze leden invulling geven aan deze richtlijn, is de minimumrichtlijn duidelijk
geformuleerd:

  1. Draag tijdens het varen goed zichtbare kleding: zeker voor skiff-roeiers, slag- en
    boegroeiers.
  2. Het dragen van High-Visibility (reflecterende) kleding/hesjes wordt geadviseerd.

Uiteraard heeft dit advies geen betrekking op clubtenue’s voor (officiële) wedstrijden.
Het bestuur hecht eraan dit advies nadrukkelijk aan alle leden door te geven, immers juist in deze
zomermaanden worden we weer geconfronteerd met gevaarlijke situaties op het water: niet alleen
bij ons op de Mark , maar in heel Nederland!

DUS: vaar veilig, wees zichtbaar !

9.3 Roei- en vaarverboden

9.3.1 Roei- en vaarverboden betreffen niet alleen de veiligheid op het water maar ook die op de kant. Windvlagen bijvoorbeeld kunnen boten uit de schragen doen waaien of bij het tillen uit de handen trekken. Er is een roei- en vaarverbod van kracht tijdens de volgende omstandigheden:

  • Wind: bij windkracht 6 of wanneer er schuimkoppen op de Mark ter hoogte van de roeivereniging staan.
  • Duisternis: van een kwartier ná zonsondergang tot een kwartier vóór zonsopgang. Bron: de melding daarover in het RV Breda Afschrijfboek (BRS). Alleen het bestuur kan dispensatie verlenen.
  • Kou: als de buitentemperatuur bij de vereniging lager is dan -2,0°C.
  • IJs: als er ijs(schotsen) ligt op de Mark of het Markkanaal.
  • Mist: bij mist minder dan 500m zicht: de twee verkeersborden (wit en groen) op de westelijke oever (midden zwaaikom) ter hoogte van Markkanaal vanaf RV Breda niet zichtbaar.
  • Onweer: voorkom dat je op het water bent. Raadpleeg Buienradar bij dreigend weer.
  • Bij een water- en buitentemperatuur lager dan 10ºC: zie tabel.
  • Bijzondere gelegenheden: door het bestuur af te kondigen.
Tweebladig roeien
watertemperatuur**luchttemperatuur**afschrijfbevoegdheden
S1(inclusief oefenen
gladde skiff)
B1B3S3 en S2: 2x
>10°C. >10°CToegestaanToegestaanToegestaanToegestaan
5-10°C5-10°CToegestaan mits met minimaal 2 skiffeurs
en alleen tussen haven Terheijden
en kilometerpaal
Toegestaan mits tussen haven Terheijden
en kilometerpaal 4
ToegestaanToegestaan
<5°C-2-5°CNiet toegestaanNiet toegestaanAfgeradenAfgeraden

*= S2 en B2 betreffen vier- en meerbladig roeien en vallen daarmee buiten dit overzicht. Bij meerbladig roeien aanzienlijk minder kans op omslaan. Alleen voor een gladde 2x blijft er enig risico op omslaan, waardoor deze als enige is toegevoegd aan de S3.

**= aan beide moet tegelijk worden voldaan; indien aan slechts één temperatuur wordt voldaan, geldt de rij eronder.

Voor meer informatie over onderkoeling: 34c35742-vdjs-wat-is-onderkoeling.pdf (knrb.nl)

9.3.2 Uitzondering op tweebladig roeien bij een buitentemperatuur lager dan 5ºC: wedstrijdjeugd vanaf 15 jaar met een bevoegdheid vanaf Skiff 3 (zie 8.3) mag onder begeleiding van een ervaren coach in een volgboot (met reddingston, pikhaak en peddel) voor wedstrijden trainen in de skiff. Ouders tekenen formulier “Jeugd zelfstandig roeien” en dienen dat bij de secretaris in.

9.3.3 Restricties voor recreatief roeien rond en tijdens wedstrijden (inbegrepen Markcompetitie):

  • uitvaren richting Terheijden is verboden
  • deelnemende wedstrijdploegen hebben absolute voorrang op de vlotten

9.3.4 Een roei- en vaarverbod kan worden ingesteld en opgeheven door of namens het bestuur en geldt voor alle boten (ook privé-boten). Dispensatie daarentegen geldt voor specifieke roeiers/crews.

9.4 Basisvaarregels (zie ook bijlage 4 Vaarreglement)

9.4.1 Algemeen

  • Doe alles om gevaarlijke situaties te voorkomen. Ook als je voorrang hebt. Dit is goed zeemanschap!
  • Klein wijkt voor groot: kleine schepen wijken voor grote. Recreatievaart wijkt voor beroeps. Kleine motorboten wijken voor zeil- en roeiboten.
  • Houd stuurboordwal. Schepen die geen eigen wal houden, moeten voor je wijken, zelfs beroepsvaart.
  • Verkeer op een hoofdvaarwater gaat voor verkeer op een nevenvaarwater. Maar voorrang neem je niet, je krijgt het!
  • Zorg dat je gezien wordt: draag opvallend gekleurde kleding (fluorescerend geel, oranje).
  • Kijk vaak en goed achterom (links én rechts), houd overzicht.
  • Houd altijd stuurboordwal.
  • Vaar een duidelijke koers en snelheid, zorg dat andere schepen duidelijk zien dat je laat lopen of weer oppakt.
  • Houd rekening met de dode hoek van binnenschepen. Tip: zie je de stuurhut, dan kan de schipper jou ook zien.
  • Stop op een veilige plek. Zorg dat je aan de kant ligt. Stop niet in een bocht of vlak bij een brug.
  • Laat schepen gemakkelijk passeren. Als een schip harder gaat dan jij, zorg dan dat hij snel op een overzichtelijke plek kan inhalen.
  • Roei niet bij slecht zicht: in de schemering of het donker en niet bij mist (minder dan 500 meter zicht, zie 9.3.1 Mist).
  • Mijd het schroefwater van binnenschepen. Een manoeuvrerend schip kan zomaar gas geven en je meters opzij duwen.
  • Het gemaal Kraaienest kan plotseling op de Mark spuien, waardoor je onverwacht kunt worden weggezet.

9.4.2 Interne regels

  • Gedragsregels bij het vlot: wegvarende boten hebben voorrang op aankomende boten.
  • Uit de richting Terheijden aankomende boten varen door tot paal 4.1 en maken dan rond. Dat geldt ook voor boten die aanleggen aan het Henk van Heel-vlot.
  • Roeiergometers: gebruik onder begeleiding van een instructeur/coach. Na het behalen van C1 mogen de ergometers ook zelfstandig gebruikt worden, met uitzondering van de RowPerfect ergometer waarvoor een aparte instructie nodig is.
  • Krachttoestellen: krachttoestellen en halters alleen gebruiken als je weet wat de (fysieke) risico’s zijn en je weet hoe ze te gebruiken. Je zo nodig laten coachen.
  • Motorboten vergen een specifieke instructie en zijn bedoeld voor coaching, het redden van drenkelingen of bij het afroeien. Bij het coachen moet de boot een aparte bestuurder hebben.
  • Voor een veilige beoefening van de roeisport is het dragen van reddingsvesten altijd verplicht voor de bemanning van coachboten, stuurlieden bij een lucht- of watertemperatuur <10°C, voor CAR-roeiers en als een beherende instantie dat voorschrijft (zoals voor toerroeiers in sluizen). Zie Hoofdstuk 2.11 Materiaal voor een uitgebreide handleiding voor het gebruik van reddingsvesten.
  • Een waterdicht verpakt mobieltje meenemen is handig.

9.5 Toezicht op veiligheid

9.5.1 Veiligheidscommissie (VC)

De RV Breda kent een VC die onder de voorzitter ressorteert. De VC adviseert het bestuur over veiligheidsaspecten, zoals genoemd in jaarlijkse risico-inventarisaties. Verder behandelt de VC door de leden gerapporteerde veiligheidsincidenten en signaleert zij onveilige situaties en handelingen voorzover niet genoemd in de risico-inventarisaties.

9.5.2 Veiligheidsincidenten en ongevallen

Ongevallen zijn voorvallen die hebben geleid tot letsel en/of schade. Incidenten zijn bijna-ongevallen die gemakkelijk tot letsel en/of schade hadden kunnen leiden en dus ‘ongeval’ zouden zijn geworden. Om ongevallen te voorkomen kijkt de VC vooral naar incidenten die vanuit de leden worden gesignaleerd. Onderzoek daarvan kan lessen opleveren die het veiligheidsbewustzijn in de vereniging versterken.

9.5.3 Meldingen en rapporten

Incidenten bij voorkeur melden via BRS. Dat geldt ook voor het melden van schade. Ongevallen (letsel of ernstige schade) worden altijd door de VC onderzocht. Van elk onderzoek gaat een rapport ter afdoening richting bestuur. Zie ook Hoofdstuk 2 Materiaal (§ 2.6 Botenonderhoud en schades)

9.5.4 Handhaving

  • Bij onjuiste, onzorgvuldige of onvoorzichtige behandeling van boten of riemen dan wel bij een grove overtreding van de veiligheidsregels kan het bestuur een lid of een ploeg een tijdelijk roeiverbod opleggen. Zie Statuten.
  • Naleving van regels wordt ook bereikt via sociale controle. Deze kan alleen effect sorteren indien met respect toegepast

 

Hoofdstuk 8 – Jeugdroeien

Inleiding
Instructie
Afroeien
Eisen voor afroeien
Zelfstandig roeien jeugd en junioren
Jeugdwedstrijden
Veiligheid en regels

8.1 Inleiding

De jeugdafdeling is bestemd voor jeugdroeiers van 11 t/m 14 jaar en juniorroeiers van 15 t/m 18 jaar. Het jeugdroeien bij de Roeivereniging Breda is een ‘breedtesport’. Er is een programma dat voor ieder wat biedt van gezellig spelevaren tot fanatiek wedstrijdroeien en alles daar tussenin. Elk jeugdlid wordt aangemoedigd om mee te doen aan enige vorm van wedstrijd- of competitie roeien (zie paragraaf 8.6) en een of meer van de jaarlijkse gezelligheidsevenementen.

De jeugdafdeling is naast de onderverdeling in jeugd en junior ook nog verdeeld in ploegen. De ploegen zijn verdeeld naar leeftijd, geslacht, ervaring en ambitie. Elke ploeg heeft een vast team van jeugdinstructeurs en een teamcoach. De teamcoach is het vaste aanspreekpunt voor de ploegleden.
Naast het roeien worden jaarlijks diverse activiteiten door de Jeugdcommissie maar ook door de jeugd zelf georganiseerd.
Bij wedstrijden en andere activiteiten kan de Jeugdcommissie niet zonder de hulp van vrijwilligers en zij zal derhalve een beroep doen op de volwassen leden van de vereniging en de ouders/verzorgers van de jeugdleden.

Jeugdleden die gaan studeren kunnen de overstap maken naar een studentenroeivereniging. De jeugdcommissie faciliteert waar mogelijk deze overstap. Daarnaast geeft de commissie speciale aandacht aan leden tussen 18 en 27 jaar. Hoewel zij als volwassenen zelfstandig kunnen roeien, kunnen zij desgewenst terugvallen op de roeiomgeving van de jeugdleden en een beroep doen op jeugdcoaches voor begeleiding en advies. Het bestuur bekijkt daarnaast regelmatig hoe leden tussen 18 en 27 jaar aansluiting kunnen vinden bij nieuw instromende leeftijdgenoten en of er activiteiten voor deze leeftijdsgroep ingepast kunnen worden.

Geïnteresseerde jeugd voor het roeien kan zich het gehele jaar aanmelden voor een kennismaking via het aanmeldingsformulier op de website. Na aanmelding worden belangstellenden uitgenodigd om een keer mee te roeien; dit kan ook als introducé(e) van een ander jeugdlid. Deze gelegenheid is 1 x per maand (de eerste zondag van de maand) Tijdens de Open Dag is er ook  mogelijkheid een keer te roeien, krijgen belangstellenden uitleg over de vereniging en de jeugdafdeling en wordt er een rondleiding gegeven.
De jeugdleden beginnen als aspirant-lid en stromen na 3 a 5x door naar wat ervaren ploegen. Beginnende jeugdroeiers starten in een C4 maar gaan, in tegenstelling tot volwassen beginners, zo snel mogelijk over in skiffs.

8.2 Instructie

De jeugdinstructie, voor jeugdroeiers van 11 t/m 14 jaar en junioren van 15 t/m 18 jaar, verloopt volgens een instructieplan dat afgeleid is van het instructieplan van de KNRB. Het plan gebruikt door de RV Breda voorziet in een complete opleiding van het jeugd- en juniorlid.

De jeugd traint twee keer in de week: een roeitraining op zondag en een training op vrijdagavond. Op zondag (ochtend blok van 10.45 tot 12.00, middag blok van 11.45 tot 13.00 u) wordt er instructie gegeven en worden ploegen technisch gecoacht, in de winter in (C)4+ en 2x, in de zomer ook in skiffs.

In de periode van oktober tot en met maart is de vrijdagavondtraining (18.30-20:30u) een droogtraining en in de periode april tot en met september is de vrijdagavondtraining een vrije roeitraining onder begeleiding van coaches. De roeitraining duurt ongeveer één uur. Dit is exclusief de tijd die nodig is voor het klaar leggen, schoonmaken en opruimen van het materiaal. De droogtraining duurt 1,5 uur. Startend met een kwartier gezamenlijk een warming-up, vervolgens gesplitst in blokken van een 1/4 uur zowel binnen als buiten met oefeningen zoals conditie, kracht, lenigheid, ergometer en afsluitend een gezamenlijke cool down met rek- en strekoefeningen.

Alle roeiers helpen bij voorbereiden en afronden van instructie en training met boten binnen en buiten brengen en materiaal klaarzetten en opruimen. Oudere jeugdleden helpen bij instructie en opvang van aspirant roeiers.

Er worden ploegjes gevormd in dubbelvier met stuurman en dubbeltwee, die werken aan roeitechniek, conditie en sturen. De ploegen nemen deel aan de Markcompetitie om wedstrijdervaring en uithoudingsvermogen op te doen. Zo bereiden ze zich ook voor op de regiowedstrijden. In het voorjaar wordt ook weer geskifft, in de winter is het daarvoor te koud. Als het vriest, mist of hard waait, wordt er niet geroeid, maar is er een alternatief programma (hardlopen, ergometeren of een andere binnensportactiviteit).

Soms worden er combinaties gemaakt met andere ploegen om een goede bootvulling te krijgen.

Planning en communicatie
Er wordt gevraagd om maandelijks de Teamy planner in te vullen om aan te geven wanneer je wel en niet aanwezig bent op vrijdag en zondag. Zo kunnen de coaches inplannen hoeveel begeleiders en boten er nodig zijn. Via de algemene jeugdapp (waarop alle jeugdleden en hun coaches zitten) wordt informatie uitgewisseld over zaken die de gehele jeugdgroep aangaan (bijvoorbeeld het Pinksterkamp). Via de ploegapp, waarop alle leden van een ploeg (bijv. blok 1a) en hun coaches zitten, kun je allerlei praktische zaken afstemmen i.v.m. de komende trainingen, zoals bijv. afwezigheid vanwege ziekte.

Zie verder: Handige Snelle_vraagbaak

Activiteiten
Naast de trainingen en wedstrijden wordt er door de Jeugdcommissie en ook door de jeugd zelf regelmatig een activiteit georganiseerd. Jaarlijks terugkomende activiteiten zijn bijvoorbeeld de roeiproevendag met waterspelletjesmiddag en aansluitend een barbecue voor de zomervakantie, de Halloween-activiteit en het kerstdiner. Het jaarlijkse hoogtepunt is het roeikamp in Maasdam tijdens Pinksteren.

8.3 Afroeien

Het instructieplan van de RV Breda voorziet in een complete opleiding van het jeugd- en juniorlid. Het instructieplan bestaat uit zeven afroeiproeven (drie skiffproeven, twee ploegroei-examens, een theorie-toets en een stuurproef). De proeven Skiff 1e-niveau, Theorie, Ploegroeien 1e-niveau, Sturen en Skiff 2e-niveau worden afgenomen door ervaren jeugdinstructeurs. Deze jeugdinstructeurs zijn door de Afroeicommissie opgeleid en geautoriseerd om deze proeven af te nemen.

De proeven Ploegroeien 2e-niveau en Skiff 3e-niveau worden afgenomen door de Afroeicommissie en worden op dezelfde manier afgenomen als bij het afroeien op S2 en S3 voor volwassenen. Bij het goed afleggen van deze proeven ontvangt het betreffende jeugdlid een certificaat. Juniorleden die alle proeven hebben behaald, mogen afroeien op het niveau S4. Daarmee zijn zij bevoegd op boeg te roeien in een ongestuurde skull 4x. Ook hiervoor geldt dat er op dezelfde manier wordt afgeroeid als bij de volwassenen.
Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd worden de behaalde jeugdproeven, na goedkeuring van de jeugdcommissaris, volgens het onderstaande schema omgezet naar verenigingseisen.

8.4  Afroei-eisen jeugdroeien

Voor omrekentabel naar verenigingseisen RV Breda zie onderstaand schema:

S1 S2 S3 S4
Skiff-1
Theorie
Ploegroeien-1
Sturen
Skiff-2
Ploegroeien-2
Skiff-3
Gladde 4 scull

8.5 Zelfstandig roeien jeugd en junioren en roeien met ouders

Jeugd- en juniorleden die buiten de instructie om zelfstandig willen roeien, dienen in het bezit te zijn van de roei- en stuurbevoegdheden vereist voor het boottype waarin zij willen roeien.

  • Voor roeien in een 2x of een C2x is de Theorietoets en proef Ploegroeien 2e-niveau vereist.
  • Voor roeien in een skiff is Theorie en Skiff 3e-niveau vereist.
  • Voor roeien in een gladde scull 4 is Theorie en S4 vereist.
  • Voor sturen is Theorie en Sturen vereist.

Jeugd- en juniorleden die zelfstandig willen roeien, moeten daarvoor schriftelijk toestemming hebben van hun ouders of voogd. Deze verklaring Zelfstandig Roeien kan je hier Verklaring_zelfstandig_roeien downloaden en je stuurt dit verzoek naar het bestuur. De jeugdcommissaris heeft bij toekenning van deze bevoegdheid door het bestuur een adviserende stem. De verkregen bevoegdheid houdt tevens in het kunnen afschrijven van een boot via het BRS. Deze regels gelden ook als het juniorlid 18 jaar is geworden.

  • Daarbij gelden naast het toezicht van een volwassen lid van de RV Breda de volgende beperkingen voor jeugdleden:
    • Richting Breda roeien tot aan de ingang van het Markkanaal.
    • Richting Terheijden niet verder dan dat de roeier zichtbaar is vanaf het verenigingsgebouw en bij minimaal drie bevoegde jeugdleden tot aan de haven.
  • Bevoegde juniorleden mogen, mits met minimaal twee roeiers, zelfstandig roeien:
    • Richting Breda tot aan de tweede brug.
    • Richting Terheijden tot aan de spoorbrug.

Jeugd- en juniorleden kunnen ook buiten de reguliere instructie met een ‘roeiende’ ouder gaan roeien.
Aangezien jeugdleden geen boten kunnen afschrijven/reserveren en volwassenen maar één boot kunnen afschrijven is er voor deze situatie, mits de ouder de juiste bevoegdheden heeft, een mogelijkheid het BRS-account van de ouder uit te breiden. De volgende regels zijn hieraan verbonden:

  • De normale veiligheidsregels (zoals niet skiffen van november t/m maart) zijn onverkort van kracht.
  • De betreffende ouder vaart altijd zelf mee.
  • De betreffende ouder is verantwoordelijk voor het kind of de kinderen, het materiaal en eventueel schade aan derden.
  • Een roeiende ouder die met zijn/haar kind(eren) wil(len) roeien, kan bij de jeugdcommissaris middels een mail aan: jeugd@rvbreda.nl een verzoek indienen voor een uitbreiding van de BRS-bevoegdheid voor het gezamenlijk roeien.

8.6 Jeugdwedstrijden

Jeugdroeiers worden ingedeeld op leeftijd:
Bij deelname aan wedstrijden worden roeiers t/m 18 jaar net als volwassenen ook ingedeeld naar leeftijd. De leeftijd die het jeugdlid in het betreffende jaar bereikt, geldt als leeftijd.

Bij de regiowedstrijden is de verdeling:

  • Jeugd: 11 t/m 14 jaar
  • Junioren: 15 t/m 18 jaar

Bij nationale wedstrijden is de verdeling:

  • Jeugd 11-12 : t/m 12-jarigen
  • Jeugd 13-14 : t/m 14-jarigen
  • Junioren 15-16 : t/m 16-jarigen
  • Junioren 17-18 : t/m 18-jarigen

Als er vanuit meer dan één bovenstaande categorie een ploeg wordt samengesteld, geldt steeds de hoogste leeftijd als bepalend voor het veld waarin wordt gestart. Dus geen gemiddelde leeftijd om dat te bepalen.

Om deel te nemen aan wedstrijden moet de ledenadministratie de roeiers en de stuurlieden aanmelden bij de KNRB voor een geldige wedstrijdlicentie. Zo nodig verifiëren bij de ledenadministratie: ledenadm@rvbreda.nl

 

Regiowedstrijden en Markcompetitie
Voor de jeugd organiseren de roeiverenigingen uit het zuiden van het land (ZRB) regiowedstrijden. De jongste jeugd (t/m 14 jaar) roeit op deze wedstrijden boord-aan-boordraces van 500 meter. De junioren (15 t/m 18 jaar) varen 1000 meter. Alle jeugdroeiers mogen deelnemen aan de regiowedstrijden.
Geoefende jeugdleden kunnen in de winter (november tot april) meedoen aan de Markcompetitie, een cyclus van trainingswedstrijden over een afstand van 4,5 km op (meestal) de tweede zaterdag van de maand.

Nationaal
Het is voor jeugdleden ook mogelijk om deel te nemen aan nationale jeugdwedstrijden. Baanwedstrijden worden meestal over een afstand van 2 km geroeid.
Voorbeelden van nationale jeugdwedstrijden zijn:

• De Jeugd-Head of the River: eind maart in Amsterdam over een afstand van 2.500 meter.
• ZRB-wedstrijden op de roeibaan in Tilburg in mei over een afstand van 2000 meter.
• ARB-wedstrijden op de Bosbaan in Amsterdam begin juni over een afstand van 2000 m.
• De Junior-Moordregatta: begin oktober in Tilburg over een afstand van 2.000 meter.
• November vieren op de Amstel in Amsterdam over een afstand van 4000 meter
• De Beatrix-Winterrace: begin december in Eindhoven over een afstand van 2.000 meter.
• Nederlands Kampioenschap Indoorroeien in december op de ergometer over 2000 m.

8.7 Veiligheid en regels

Roeien is een leuke, gezellige en gezonde sport. Omgaan met boten, toepassen van de vaarregels en afstemming met teamgenoten vergt aandacht en oplettendheid. Als er uitleg of aanwijzingen worden gegeven, is het van belang dat iedereen die hoort en begrijpt. Op het water, op het terrein en in de gebouwen wordt gehandeld volgens de (veiligheids-) voorschriften. Tijdens instructie en training luistert daarom iedereen naar degene die de leiding heeft en is er geen plaats voor afleidende commentaren of muziek. Zo worden blessures en ongelukken voorkomen. Tijdens ontspanningsmomenten na training of instructie is er dan tijd voor een geintje of vermaak.

In hoofdstuk 9 staan de belangrijkste regels en instructies op gebied van veiligheid, die ook allemaal van toepassing zijn voor jeugd en junioren.

Kleding
In winter draag je het beste voldoende isolerende laagjes, maar geen dikke gewatteerde jassen of kleding gemaakt van fleece; bovenste laag liefst felgekleurd of fluorescerend. Voor indoortraining draag je hardloopschoenen en in de boot draag je het beste lichte gymschoenen of waterschoenen. In de zomer draag je lichte kleding en eventueel zwemkleren. Neem ook steeds een set droge kleren mee voor het geval het plotseling hard regent of je per ongeluk in het water terecht komt. Bij Truesport (www.truesport.nl) kan speciale kleding in verenigingskleuren worden besteld; het is het beste hiervoor van tevoren even te overleggen met de coach.

 

8.8 Overige hoofdstukken Roeiboek

De andere hoofdstukken van het Roeiboek zijn ook interessant voor de jeugdroeier, omdat veel van deze informatie ook op de jeugdroeier toepasbaar is. Dit geldt in het bijzonder voor Hfst 9 Veiligheid. De jeugdcommissaris ziet er op toe dat de jeugdinstructeurs en coaches de daarin verwoorde regels toepassen.

 

Hoofdstuk 7 – Toerroeien

  • Toerroeien algemeen

    Dit hoofdstuk is geschreven om roeiers wegwijs te maken en in te lichten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het toerroeien zoals dat bij RV Breda plaatsvindt. Voor zowel de beginner als de ervaren roeier is het toerroeien interessant en voor velen die nog niet eerder een toertocht hebben meegemaakt wordt dit een verrassend aangename kennismaking met een andere tak van het roeien. Een nieuwe uitdaging dus. Want wees wel: het toerroeien is nog meer een ploeggebeuren dan het roeien vanuit een vaste stek. Het vereist een nauwe samenwerking tussen stuurlui, roeiers, dragers, kapitein en admiraal. Het bestuur van RV Breda wil de leden zoveel mogelijk de gelegenheid geven te toerroeien. Voor het maken van tochten staan de faciliteiten van de vereniging (boten, botenwagen, toebehoren en organisatievermogen) ter beschikking. Wel gelden daarbij spelregels. In dit hoofdstuk worden ze gegeven samen met tips voor een veilig en aangenaam verloop van je toertocht.

  • 1. Inleiding

    Roeien buiten het eigen vaargebied van de Mark bij Terheijden is leuk en aantrekkelijk, veel leden van onze vereniging zijn actieve toerroeiers. Het gaat om tochten in allerlei vormen, van tochten met een recreatief tot die met een wedstrijdkarakter. Er zijn tochten van een dagdeel, een hele dag of soms meerdere dagen en de afstanden variëren van 20 tot 60 km en meer per dag. Bij meerdaagse tochten kan het gaan om het varen van meerdere tochten vanuit een vaste standplaats, of om tochten waarbij van plaats naar plaats wordt gevaren met verschillende overnachtingplaatsen. Dit kan op rivieren, in vaargebieden met kanalen en meren in binnen- en buitenland. De eisen die tochten aan roeiers, materiaal en organisatie stellen, verschillen van tocht tot tocht en zijn afhankelijk van het vaargebied.

  • 2. Deelnemen aan tochten

    Voorwaarde voor het mogen roeien van tochten is natuurlijk dat je minimaal je S1 diploma hebt. Bij uitzondering mag je mee als je de Crew Class hebt doorlopen maar het S1 examen nog niet hebt gehaald. In dat geval dienen de andere roeiers in de boot wel het S1 diploma te hebben. Daarnaast is het van belang dat je een goede conditie hebt en roeivaardig genoeg bent om zo’n tocht met vaak een flinke afstand en soms onder lastige roeiomstandigheden, aan te kunnen. Tijdens sommige tochten, zoals de Instructietocht Toerroeien naar Geertruidenberg en het Rondje Breda, mag onder gunstige omstandigheden een niet-roeiende passagier worden meegenomen om hem/haar een prille toerervaring te bieden. Onze Wherry Jan van Gent heeft extra passagierscapaciteit hiervoor. Dit kan alleen wanneer de boot een bevoegde en ervaren bemanning heeft. Een en ander is dan onder verantwoording van degene die als ervaren lid van RV Breda de betreffende tocht organiseert.

  • 3. Het aanbod van toertochten

    Als roeier kan je kiezen uit heel veel verschillende toertochten, het aanbod komt in hoofdlijnen op het volgende neer:

    • Tochten georganiseerd door de FISA
    • Tochten georganiseerd door de KNRB in binnen- en buitenland,
    • Tochten die de toercommissie van RV Breda organiseert voor haar leden
    • Tochten die andere roeiverenigingen organiseren en waarop leden van RV Breda zich ook kunnen inschrijven, zie het overzicht op de KNRB website.
    • En je mag zelf een toertocht organiseren, de toercommissie kan je daarbij goed adviseren.

    In bijlage 2 bij dit hoofdstuk staan de verwijzingen naar locaties waar al deze tochten zijn te vinden op Internet.

  • 4. Vaarplan

    Om jouw voorbereidingen voor een toertocht te helpen structureren is het goed om een vaarplan te maken: zo leg je voor alle deelnemers vast wat de tocht inhoudt, verklein je de kans op verrassingen, bezwaren en ongelukken en maak je in geval van pech of een ongeluk hulpverlening mogelijk. Zo’n vaarplan heb je nodig bij alle soorten toertochten. Denk bij het maken van zo’n plan in ieder geval aan het volgende:

    • Leg vast de datum, tijd, bestemming, lengte en de naam van je tocht. Noteer afspraken over wie de leiding heeft, admiraal, kapiteins enz. Wie gaan er mee, zijn alle deelnemers vaardig genoeg en fysiek in staat om deze tocht te volbrengen? Leg namen en telefoonnummers vast.
    • Waar ga je varen, leg de route vast en controleer vooraf of die vaarbaar is, dus vrij van eventuele stremmingen, of overmatige begroeiing. Heb je ergens een vergunning nodig om er te mogen roeien? Is er een alternatieve route in geval van stremming? Noteer oriënteringspunten op je route, dat voorkomt verdwalen.
    • Bespreek je plannen tijdig (drie maanden of langer vooruit) met de toercommissie en de materiaalcommissie want het kan zijn dat er tegelijk met jouw tocht nog een andere tocht gepland is. Welke boten neem je mee van de vereniging, en/of welke boten ga je ter plaatse huren? Welke botenwagen neem je mee? Door tijdig alles te plannen heb je nog voldoende tijd om zo nodig een boot elders te huren of om transport elders te regelen.
    • Maak een print van de paklijst in dit hoofdstuk en neem die door met de toercommissie. Die paklijst kan je (geplastificeerd) ook goed gebruiken bij het inpakken van materialen voor de terugreis, zo voorkom je dat spullen elders blijven liggen.
    • Controleer of er op jouw vaarwater hoogteverschillen voorkomen door getijden; als dat het geval is laat je dan door een plaatselijke roeivereniging informeren wat dat betekent voor je roeiplannen. Als er op jouw route bruggen voorkomen check dan of je er onderdoor kan en mag roeien. Worden sluizen op jouw route op de dag van je tocht bediend op de tijd dat je er door wilt? Sluistijden op doordeweekse dagen verschillen vaak van die in het weekend. Heb je de telefoonnummers van de sluiswachters in je telefoon staan?
    • Welke veiligheidsmaatregelen neemt de ploeg? Persoonlijk, kleding, reddingsvest, reflecterend hesje, materiaal, verlichting, tonnetje met reddingsmaterialen?
    • Voor meerdaagse tochten, tochten buiten Nederland en voor tochten waar een verhoogd risico aan verbonden is: spreek je plannen ruim van tevoren door met zowel de toercommissie als de materiaalcommissie. Soms kan het nodig zijn dat je boot vooraf aangepast moet worden met waterkeringen op de riggers en taften op de voor- en achterpunt; dat geldt bijvoorbeeld voor de Elfstedentocht in Friesland en de Vogalonga in Italië, want deze tochten gaan over groot open water.
    • Ook handig als je onderweg in een restaurant wilt lunchen: reserveer dit altijd van tevoren, dan kan de kok rekening met de groep houden en duurt je lunchpauze niet te lang. Vraag ook of het toegestaan is dat de groep in sportkleding in het restaurant zit, soms mag dat alleen op het terras

    Zorg dat alle deelnemers je vaarplan tijdig ontvangen en check of zij het vooraf gelezen hebben. Maak een kopie van je vaarplan en leg dat in het ladekastje onder de bar, in de lade voor de toercommissie.

  • 5. Boten voor toertochten

    Boten zijn een essentieel onderdeel van een toertocht. Ga je een tocht varen op de Mark of op het Markkanaal en heb je de boten niet langer nodig dan anderhalf uur, dan kun je die gewoon zelf afschrijven in het BRS. Heb je meer tijd nodig, neem dan contact met de toercommissie op; zij regelen dan dat je de boot of boten langer kunt gebruiken. Heb je plannen voor een tocht elders en heb je daar boten van RV Breda bij nodig voor meerdere dagen en moeten de boten getransporteerd worden, neem dan ook even contact met de toercommissie op. Wherry’s zijn eigenlijk altijd beschikbaar voor het toerroeien. Voor sommige tochten is het wenselijk om C4x+ boten te gebruiken, maar houd er wel rekening mee dat het C-materiaal in principe beschikbaar moet blijven voor instructie; dit is alleen beschikbaar voor toerroeien buiten de cursusperioden: april-mei en september-oktober. In uitzonderlijke situaties kan in overleg met de instructiecommissie gekeken worden of tijdens de cursusperiode ook C-boten voor toerroeien ingezet kunnen worden. Voor het vervoer van de boten hebben we botenwagens; in overleg met de toercommissie kan je die gebruiken.Bij veel toertochten is het mogelijk om bij de ontvangende vereniging een boot te huren. Vaak is dat een aantrekkelijk alternatief, want het botentransport is toch altijd een heel gedoe en kost vaak meer dan wat het huren kost. Vaak is het aanbod huurboten klein, dus reserveer een huurboot lang van tevoren, het is het beste dat meteen te doen zodra de toertocht wordt opengesteld voor inschrijving.

  • 6. Het klaarmaken van de boten voor de tocht

    6.1 Controle vooraf

    Zeker voorafgaand aan een meerdaagse roeitocht is het verstandig om het gereserveerde materiaal ruim voor de tocht te controleren. Zijn de boten beschikbaar en vaarklaar? Zijn er geen mankementen aan boten of mee te nemen materiaal (pikhaken, peddels etc.)? In geval van gebreken is bij voldoende ver vooruitdenken reparatie nog wel mogelijk, zijn onderdelen te vervangen of zoekgeraakte spullen aan te schaffen. Neem in een dergelijk geval contact op met de toercommissie.

    Het op een tocht mee te nemen toermateriaal verschilt van vaargebied tot vaargebied en met het karakter en lengte van de tocht. Welke boot nemen we mee? Voor het transport van de boten maakt de toercommissie in eerste aanleg gebruik van de wherrywagen van de vereniging. Gebruik van een alternatieve botenwagen van de vereniging vergt overleg met de wedstrijdcommissie. Zie voor het gebruik van de wherrywagen bijlage 2 bij hoofdstuk 2 (Materiaal).

    Bespreek dit allemaal ruim van tevoren met de toercommissie. De procedure voor deze controle vooraf is als volgt:

    • Verzamel het toermateriaal en reserveonderdelen en leg het allemaal bij elkaar.
    • Controleer (per boot en voor het geheel) of het materiaal compleet aanwezig is en heel.
    • Laad het dan in, pak het losse materiaal zodanig dat daaraan bij het transport geen schade kan ontstaan door rammelen, schuren of knel zitten.

    6.2 Boten klaarmaken voor het transport

    Boten moeten voorafgaand aan het opladen klaar worden gemaakt voor het transport. Losse onderdelen en materialen mogen alleen in de boot blijven als de boot met de kiel naar beneden wordt vervoerd en wanneer deze losse onderdelen goed in de boot worden vastgebonden. Vastbinden moet zodanig geschieden dat ze niet kunnen rammelen, uit de boot kunnen waaien, of bij het rijden er uit kunnen springen door kuilen in de weg. Schade aan boot, botenwagen of verkeer wordt zo voorkomen :

    • Boten worden afgeriggerd, dan wel riggers moeten worden ingeklapt en vastgebonden, draai na verwijderen van de riggers de moeren direct terug op de bouten.
    • Voetenborden worden verwijderd of indien mogelijk goed vastgezet/gebonden.
    • Rolbankjes worden verwijderd, of anders vastgebonden.
    • Losse onderdelen, zoals buikdenningen, rugleuningen e.d. worden verwijderd of vastgebonden.
    • Al deze kleine materialen evenals de stootwillen, pikhaken en hoosblikken worden in een grote linnen plunjezak verpakt op de botenwagen meegenomen.

    Afbeelding 4

    6.3 Boten vaarklaar maken na het transport

    Na het afladen van de botenwagen op het vertrekpunt van de tocht moeten de boten vaarklaar worden gemaakt. Dat gaat als volgt.
    Maak alle voor transport vastgebonden onderdelen los.
    Verzamel en bewaar het touw zorgvuldig bij elkaar. Op de terugtocht moeten de onderdelen voor het transport terug naar Terheijden weer worden vastgebonden, dan wordt het touw dus weer gebruikt.

    • Rigger de boten op.
    • Zorg dat de riggers op de juiste plaats zitten (ze zijn daarvoor gemerkt met SB of BB en 1 of 2).
    • Draai de bouten daarbij aan met een pijpsleutel 10 met handvat en niet met een ring- of steeksleutel. Te vast draaien maakt spanten kapot.
    • De kapitein controleert of er voor iedere boot een complete uitrusting voor de tocht aanwezig is.
    • Niet alleen de roeren, rugleuningen en rolbankjes, maar in iedere boot ook: peddel, pikhaak, sluistouw, hoosvat/pomp, meerpennen, stootwillen etc.
    • Zorg er bij het in te water laten van de boot voor dat deze onbeschadigd in het water komt.
    • Zoek daarvoor een lage steiger, trailerhelling of lage zachte oever en til de boot zorgvuldig (met het kielbeslag naar beneden) te water. Voor gebruik van de trailerhelling van een watersportvereniging of een watersportbedrijf wordt vaak een vergoeding gevraagd.
    • Soms kan een houten balk of plank behulpzaam zijn.

    6.4 Na afloop van de tocht: schoonmaken en opruimen van boten en materiaal

    Controleer na afloop van de tocht (voor het vertrek naar huis) of al het meegebrachte materiaal compleet is. Leg daarvoor al het toermateriaal voor het laden bij elkaar en controleer het op aanwezigheid, gebruik hierbij weer je checklist. Begin daarna met op- en inladen voor de terugtocht naar Terheijden.

    Direct na terugkomst van de tocht moet de botenwagen door de deelnemers aan de tocht worden afgeladen. Als je dat ruim voor zonsondergang plant dan hoef je dat niet in het donker te doen. Bij het afladen helpen in principe alle deelnemers aan de tocht, tenzij daarover binnen de groep andere afspraken worden gemaakt. De boten moeten direct na het afladen van binnen en van buiten schoon worden gemaakt meestal is het gebruik van zeepsop daarbij nodig. De boten moeten worden afgedroogd en opgeriggerd (of juist afgeriggerd als ze zo voor vertrek waren aangetroffen) en vervolgens op hun wagentjes op hun plek in het botenhuis worden teruggelegd. Ze staan dan weer gebruiksklaar voor de volgende ploeg.

    Beschadigingen moeten, met vermelding van naam van de contactpersoon van de tocht, gemeld worden in het BRS. In geval van een aanvaring moeten ook contactgegevens van de tegenpartij in het BRS genoteerd worden. Neem vooraf het schadeformulier mee voor het noteren van de gegevens. Wanneer sprake is van een zodanige schade dat de boot uit de vaartgenomen moet worden, vink dan op de betreffende pagina in het BRS het vakje Advies Uit De Vaart aan. Zo weten ploegen die na jou de boot willen gebruiken dat er iets mee is.

    Berg terug in Terheijden ook al het toermateriaal op de daarvoor bestemde plaatsen in het botenhuis op.
    Ben je materiaal kwijt, noteer dat dan meteen in het BRS op de pagina Schade. Maar probeer natuurlijk wel zelf het ontbrekende materiaal terug te krijgen, doe navraag bij de organisatie van de toertocht.
    Zorgvuldigheid voorkomt misgrijpen door ploegen die uitgaan van aanwezig en heel materiaal (en het spaart veel moeite en geld).

  • 7. Algemene tips voor het toerroeien

    Doordat we thuis alleen roeien op de Mark en het Markkanaal raken we daar alleen vertrouwd met varen op langzaam stromend water, met heel weinig andere recreatievaart en beroepsvaart en doen we weinig ervaring op met harde wind en hoge golven. Vaaromstandigheden elders kunnen echter toch sterk afwijken van de onze. Voorbeelden daarvan zijn:

    • Vaargebieden met veel smalle vaarwateren, vaarwatervernauwingen, bruggen en sluizen
    • Rivieren en beken met veel hogere stroomsnelheden dan die op de Mark
    • De aanwezigheid van ondiepten, stroomversnellingen en stenige oevers
    • Vaarwater met soms zeer veel medegebruikers in de vorm van beroepsvaart, motorjachten en zeilboten
    • Het passeren van sluizen met grote hoogteverschillen al dan niet samen met beroepsvaart
    • De aanwezigheid van eb- en vloed
    • Water met lastige begroeiing door waterplanten.

    Afbeelding 5 Veel waterplanten maken het roeien lastig

    Naast verschillen in het karakter van het vaarwater en het gebruik daarvan kunnen de regelementen soms sterk verschillen. Het inwinnen van nadere informatie is nodig als onderdeel van de voorbereiding van jouw tocht. Soms is het dan nodig om een samenvatting van de belangrijke aandachtspunten en van de specifieke vaarregels voor het betreffende vaarwater op te nemen in je roeiplan, denk daarbij bijvoorbeeld aan:

    • Mogelijke vaarverboden in geval van hoog- of juist lage waterstanden;
    • Afwijkende voorrangsregels;
    • Bedieningsvoorschriften van sluizen en bruggen, zijn er die met de hand bediend moeten worden?
    • Lokaal aanwezige aanlegverboden
    • Stremmingen
  • 8. Rollen en verantwoordelijkheden

    Voor een vlot en veilig verloop van tochten is het goed om de verschillende rollen en verantwoordelijkheden te onderscheiden. Het gaat om de volgende rollen: roeier, stuurman, kapitein, admiraal en spreekbuis naar de ontvangende vereniging. We volgen hierin bij voorkeur het organisatiemodel zoals door FISA en KNRB wordt geadviseerd.

    In het bestuur liggen ten aanzien van het toerroeien de verantwoordelijkheden bij de toercommissaris (bij RV Breda is dit de roeicommissaris) en bij de materiaalcommissaris. Tenslotte kan er soms sprake zijn van een walploeg.

    In de volgende sub-paragrafen worden de verschillende rollen en verantwoordelijkheden kort omschreven.

    organisatiemodelAfbeelding 6 Organisatiemodel

    8.1 Roeier

    Roeier is iedereen die aan een tocht deelneemt. Een roeier moet zich zonder assistentie kunnen redden in kritieke situaties. Een roeier draagt een reddingsvest of heeft er een bij zich als de situatie dat nodig maakt en/of wordt voorgeschreven. Hieronder volgt bij 7.8.4 een opsomming van de meeste verzwarende factoren die dat nodig maken. In hfst 2.11 staat een uitvoerige handleiding voor het gebruik van reddingsvesten. De Roeivereniging heeft een aantal reddingsvesten beschikbaar, maar als je die vaak nodig hebt overweeg dan om een privé reddingsvest aan te schaffen, dat is wel zo prettig. De toercommissie kan je desgewenst adviseren bij je keuze van een eigen reddingvest. Elke roeier dient te beschikken over een adequate wettelijke aansprakelijkheidsverzekering en dient kennis te hebben van de vaarregels. Elke roeier dient te beschikken over het vaarplan en heeft dit goed bestudeerd.

    8.2 Stuurman

    Tijdens toertochten wordt bij toerbeurt gestuurd. In iedere boot is minimaal één bevoegde, ervaren stuurman of stuurvrouw, zo mogelijk meer. Zijn verantwoordelijkheden zijn niet anders dan bij het sturen op de Mark. Hij bepaalt de koers op basis van de ter plaatse geldende vaarregels en goed zeemanschap. Onbekendheid met het vaargebied vergt nog meer oplettendheid en anticiperen dan normaal. De stuurman kan aanwijzingen krijgen van de kapitein en dient die op te volgen. De stuurman kijkt altijd vooruit; ver vooruit.

    8.3 Kapitein

    Tijdens een toertocht gaan FISA, KNRB en roeitocht organiserende verenigingen vaak uit van de aanwezigheid van één kapitein per boot, deze heeft de volgende taken:

    • is verantwoordelijk voor het verloop van de tocht van de betreffende boot (veiligheid van mens en materiaal);
    • de kapitein moet zich op de hoogte (laten) stellen van de vaarroute en vaarplannen en eventueel aanwezige vaarrisico’s;
    • voert voorafgaand aan de tocht overleg met stuurlieden en andere kapiteins en bezoekt het kapiteinsoverleg.
    • initiatieven nemen ter voorkoming van ongevallen en bij optreden daarvan handelend optreden ter beperking van de gevolgen. Voorbeelden daarvan zijn het in overleg met andere kapiteins en de admiraal afbreken van een tocht wegens storm, onweer, waterstanden, materiaal pech, onwel worden van roeiers en dergelijke.
    • De kapitein beschikt over de telefoonnummers van alle deelnemers, overnachtingadressen en bij tochten in het buitenland ook over de nummers van de ANWB alarmcentrale en van de Nederlandse ambassade in dat land.
    • Het is nuttig als de kapitein beschikt over een compact verrekijkertje en ook een klein bootsmansfluitje gebruikt, dat werkt vaak beter dan het roepen naar andere boten.

    Afbeelding 7 – Toertocht naar Sail Amsterdam

    8.3 Admiraal

    Bij het varen van tochten wordt er van uitgegaan dat er voor iedere tocht namens de gehele roeigroep één aanspreekpunt is voor zowel deelnemers als bestuur, dit is de admiraal. Uitgaande van dit beginsel is het natuurlijk mogelijk om tochten met meer mensen te organiseren en onderling nadere taakverdelingen af te spreken. De admiraal is voor het bestuur niet alleen contactpersoon en aanspreekpunt maar tevens namens de roeigroep de voor de tocht verantwoordelijke. De admiraal heeft een belangrijke taak, daarom wordt er vaak ook een vice-admiraal aangesteld. De admiraal zorgt ervoor dat tijdens de tocht een goede verdeling van de taken wordt gerealiseerd. De admiraal heeft de volgende taken:

    • Contactpersoon voor het bestuur van de roeivereniging.
    • De admiraal is aanspreekbaar op het gebruik van botenwagen, boten en materiaal. Hij zorgt ervoor dat de roeigroep het materiaal zorgvuldig gebruikt en dat het gebruikte materiaal compleet en heel op zijn plek in het botenhuis terug komt.
    • Hij zorgt voor (distributie van) kaarten en beschrijvingen en heeft de leiding van de tocht en neemt ingeval van calamiteiten, zoals weersverslechteringen, beslissingen in overleg met de kapiteins van de boten.
    • De admiraal wijst voor een tocht één persoon aan als spreekbuis naar de contacten met de ontvangende vereniging. Die persoon moet op de hoogte zijn van het programma en van de route van de tocht en weet van mogelijke problemen.
    • In iedere boot kiest de admiraal één persoon die de leiding heeft, de kapitein.
    • De admiraal voorziet de kapiteins van kaartmateriaal en brieft de kapiteins over de route en mogelijke problemen die bij het varen kunnen optreden, dit is het z.g. kapiteinsoverleg.

    Als de verantwoordelijke instantie geen of onvoldoende instructies geeft bij toertochten, bepaalt de admiraal (zonodig de kapitein) of er reddingsvesten gedragen moeten worden en neemt daarbij volgende regels in acht:

    • Stuurlieden en zo nodig ook de roeiers dragen een reddingvest in ieder geval bij lucht- of watertemperatuur <10°C of windkracht >4 Bft.
    • Alle opvarenden dragen een reddingsvest wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft en/of er verzwarende factoren zijn, zoals snelstromend water, getijdewater, druk bevaren water (beroeps- en/of pleziervaart) en groot open water bijvoorbeeld op de Friese en Zuid-Hollandse meren.
    • Alle opvarenden dragen een reddingsvest bij moeilijk te bereiken walkanten zoals hoge en stenen wallen en kades in havens en sluizen. In het buitenland geldt dat ook bij het passeren van tunnels.

    8.4 Spreekbuis naar de ontvangende vereniging

    Bij het varen van tochten bij een zustervereniging treedt de spreekbuis op als contactpersoon naar die organiserende vereniging. Hij zorgt voor aanmelding bij aankomst, betaling van vereiste afdracht van deelnemerskosten en zorgt voor verspreiding van tochtprogramma’s, eventueel kaartmateriaal en beschrijvingen. Wees zorgvuldig met dit geleende materiaal, de kaarten moeten na afloop weer terug worden gegeven.

    De spreekbuis uit waardering na afloop, denk bijvoorbeeld aan geven van een bijdrage aan het botenfonds als dank voor geleverde diensten.
    In geval van een georganiseerde tocht bezoekt ook de spreekbuis het kapiteinsoverleg.

    Afbeelding 8 – Veel tochten worden afgesloten met een gezellige
    maaltijd.

    8.5 Walploeg

    Bij meerdaagse roeitochten, vooral die zonder vaste uitvalsbasis/verblijfplaats in onbekende vaargebieden, kan het handig zijn om over een walploeg te beschikken. Dat wil zeggen, dat tijdens de roeitocht bij toerbeurt een tot drie deelnemers een roeidag overslaan en beschikbaar zijn voor dienstverlening op de wal. Het kan daarbij gaan om:

    • Het rijden met een busje of met auto’s met bagage en indien nodig met de botenwagen.
    • Het vervoeren van de die dag roeiende deelnemers naar de boten op het startpunt van de dag-etappe.
    • Het ophalen van de roeiers van de plaats van aankomst aan het einde van de dag waar de boten blijven liggen.
    • Het bieden van hand- en spandiensten aan de roeiers op het water bij punten waar boten moeten worden overgedragen. Zeker wanneer boten over drukke wegen moeten worden gedragen zijn extra handen nuttig en kan een auto of busje met knipperlichten als waarschuwing zinvol zijn. Ook kan er sprake zijn van het vervoeran boten van het ene vaarwater naar het andere met de botenwagen.
    • In die gevallen waarin de tocht zonder verkenningstocht is voorbereid, het gaan verkennen ter plaatse van (delen van) het traject die nog onduidelijk zijn: het zoeken van goede aanlandingsplaatsen voor pauzes onderweg, van plaatsen waar boten veilig uit het water kunnen worden gehaald en achtergelaten kunnen worden en bijvoorbeeld het zoeken van sluiswachters.
    • Het doen van boodschappen voor de groep of de deelnemers zeker indien sprake is van zelfverzorging door de groep.
    • Het koken van de maaltijd.

    Het eventueel instellen van een walploeg en de invulling van zijn rol is sterk afhankelijk van tochtvoorbereiding, omvang van de groep, keuze van vaargebied en vorm van overnachting.
    Wanneer tot het vormen van een walploeg wordt besloten is het samenstellen van de walploegen onderdeel van het maken van de ploegenindeling voor de roeidagen. Concreet betekent een en ander dat:

    • Bij de ploegindeling gestreefd moet worden naar een zo gelijk mogelijke verdeling van de roei- en walploeguren over de deelnemers.
    • In de walploeg van iedere dag steeds voldoende chauffeurs aanwezig zijn om de auto’s of het busje verder te brengen. Factoren daarbij zijn het zonodig de botenwagen kunnen en mogen trekken en het verzekerd zijn in andermans auto.
    • De walploeg over communicatiemiddelen met de roeiploegen op het water beschikt.
    • Er bij de walploeg een informatiemap is met het vaarplan en kaarten en beschrijving van de tocht.
    • De walploeg de afspraken kent met de plaatselijke contactpersonen (te bezoeken roeiverenigingen, beheerders van jachthavens/achterlaatplaatsen van boten, sluismeesters etc.) en daarvan de adressen en telefoonnummers heeft. Ook adressen en telefoonnummers die behulpzaam kunnen zijn bij het oplossen van noodsituaties kunnen in een dergelijk walploegboek een plaats krijgen.

    Afhankelijk van de rol die een walploeg bij een tocht heeft kunnen de waldagen ook gebruikt worden als rustdag of om juist datgene in een gebied nog even te bekijken dat vanaf het water niet te doen is.

  • 9. Verantwoordelijkheden

    Naast deze eisen is het bij het roeien van tochten vooral van belang om als team te opereren. Dat wil zeggen:

    • Draag ongevraagd actief bij aan het welslagen van de tocht.
    • Ga vooraf na of je de tocht aan kan en vraag bij twijfel advies aan een ervaren toerroeier.
    • Zorg ervoor fit aan een tocht te beginnen, het vermindert de kans op uitvallen of slecht functioneren en daarmee het duperen van ploeggenoten.
    • Neem tijdens een tocht verantwoordelijkheid, neem geen nodeloze risico’s en waarschuw bijvoorbeeld tijdig voor ongevallen, onwel worden etc.
    • Het op- en afladen van boten, boten transporteren, klaarmaken voor gebruik, in en uit het water brengen, schoonmaken en dergelijke, ze horen onlosmakelijk bij het varen van tochten. Meehelpen dit goed te laten functioneren is daarvan de consequentie, inclusief het inleven in hoe alles werkt en daarnaar handelen.
    • Wees attent op bezittingen van de groep en ga zorgvuldig om met boten en toermateriaal. Bijvoorbeeld ga na of na roeipauzes al het materiaal weer in de boten mee gaat.
    • Houd boten schoon.
    • Er wordt meestal op vreemd vaarwater onder vaak onbekende omstandigheden geroeid. Dit vergt oplettendheid van iedereen. Let actief op en waarschuw bij onverwachte gebeurtenissen en vraag of het is opgemerkt, dit zonder de rol van de stuurman over te nemen.
    • Zorg dat je de voor de tocht benodigde bagage in orde hebt en bij je hebt.
    • Volg de aanwijzingen van stuurman en de kapitein in de boot op en werk loyaal mee met de admiraal van de tocht. Ondersteun hem/haar indien nodig.
    • Bedenk dat saamhorigheid en elkaar helpen voorop staan tijdens een toertocht. Het is een groepsreis die wordt ervaren als een vakantie. Eigenzinnig en individualistisch gedrag kan tijdens de tocht gevaar opleveren.

    Veiligheid staat altijd voorop. Daarom is het goed je te verplaatsen in de wereld van de beroepsvaart. In hfst 9 (9.2.1) staan twee interessante filmpjes geschoten vanaf de brug van een vrachtschip.

  • 10. Sluizen

    Varend door Nederland kom je veel sluizen tegen. Het passeren van sluizen vraagt extra aandacht, zowel beroeps- als recreatieschippers moeten voor en in een sluis binnen een beperkte ruimte manoeuvreren. Dat vereist oplettendheid en communicatie met elkaar en met de sluismeester. Het is dus zaak om goed rekening met elkaar te houden, zodat de sluispassage vlot en veilig verloopt.

    Afbeelding 10 – Afstandsbediening van de Kreekraksluis

    De sluis wordt door een sluismeester (sluiswachter) bediend, dit kan bij de sluis zelf of met camera’s op afstand. Check voor vertrek de actuele bedieningstijden van sluizen, deze vind je onder andere in de ANWB Wateralmanak deel 2. Zorg dat je dit boek in de boot bij je hebt als een sluis op jouw vaarroute ligt.
    Als je voor de sluis moet wachten, blijf dan niet ronddrijven maar leg de boot vast aan de wachtsteiger. Je kunt om sluisbediening vragen door met een toeter het geluidsein: lang-kort-lang te geven. Op wachtsteigers zit vaak een meldknop waarmee boten ook kunnen vragen om bediening of het telefoonnummer van de sluismeester is aangegeven op een bord.

    Afbeelding 11 Afbeelding 12

    Volg altijd de instructies van de sluismeester op. Vaar een sluis pas in als dat is toegestaan; met de sluislichten wordt dit aangegeven. Voordringen is natuurlijk uit den boze, wacht op je beurt en geef de scheepvaart die de sluiskolk uitvaart de ruimte alvorens zelf de kolk (dit is de ruimte tussen de sluisdeuren) in te varen. Schepen moeten de sluis invaren in volgorde van aankomst. Bij sluizen waar de beroeps- en recreatievaart samenkomen, vaart beroepsvaart het eerste de sluis in, tenzij de sluismeester anders aangeeft. Schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren mogen niet tegelijk met recreatievaart geschut worden, deze schepen herken je aan een of meer blauwe kegels.

    Afbeelding 13 Transport gevaarlijke stoffen herken je aan een blauwe kegel

    Wacht met invaren totdat de beroepsvaart de trossen vast en schroeven uit heeft. Vaar in de sluis zover mogelijk door naar voren en sluit goed aan, maar houd wel een bootlengte afstand tot de beroepsvaart, de sluisdeur en waar nodig tot de waterinlaat.

    In de sluis zijn meestal rood/witte markeringen (stopstrepen) aangegeven, blijf VOLLEDIG binnen deze markeringen, anders is de kans namelijk groot dat je boot bekneld raakt tussen de sluisdeur en of de sluiswand. Onder de sluisdeur ligt altijd een z.g. sluisdrempel, die tijdens het zakken van het water je roerblad kan raken of bij groot verval zelfs JE BOOT KAN OMDUWEN OF ZELFS KAN BREKEN! Het is van levensbelang om daar dus uit de buurt te blijven.

    Afbeelding 14 – Sluisdrempel

    Afbeelding 15 – Zeilboot, vast op de sluisdrempel

    Afbeelding 16 – Drijvende bolder in de sluiswand

    Afbeelding 17 – Dubbel rood licht, sluis buiten gebruik

    Afbeelding 18

    Maak je boot NIET met landvasten vast, maar leg een lang touw (sluistouw) om een bolder en houd de uiteinden in de hand. Houd rekening met het verval in de sluis en zorg dat je de touwen tijdig kunt laten vieren of aanhalen.

    Is het verval groot, meer dan zo’n vijf of zes meter, dan heeft een sluistouw weinig zin. Bij zulke sluizen zijn er in de wand soms drijvende bolders of er zijn dikke glijstangen aangebracht waar je het sluistouw los om kan leggen (niet vastknopen!) en vasthouden. Zijn die er niet, dan is een pikhaak waarmee je je tijdens het schutten vast houdt aan een ladder in de sluiswand, een goed alternatief.

    Aan de sluisdeuren kun je zien of je omhoog of omlaag geschut wordt. De “punt” van de deuren wijst naar de kant waar het waterpeil het hoogst is. Gebruik vooral bij het omhoog schutten, bij voorkeur twee sluistouwen.
    Kom je een sluis binnen met een groot verval, houd dan rekening met de kracht van het in- en uitstromende water. Let ook op valwinden in de sluis: dit effect treedt vooral op bij sluizen met hoge muren en bij harde wind. De wind waait tegen de tegenoverliggende sluismuur en wordt daardoor teruggekaatst. Op deze manier verandert de hogerwal plotseling in lagerwal. Kijk uit dat je met een dol niet blijft hangen aan een ladder of een andere uitsteeksel.

    Als je met meerdere roeiboten, zeker als die van het type C4x+ zijn, in een sluis een “vlotje” maakt dan heb je extra stabiliteit. Dat komt zeker van pas als je een sluiswachter tegenkomt die geen kennis heeft van of aandacht heeft voor het gegeven dat een roeiboot bij snel schutten door het gaan “kolken” van het water erg onstabiel kan worden.

    Afbeelding 19a – Door in de sluis elkaars boten vast te houden ontstaat er een soort “vlotje” voor extra stabiliteit.

    Haal vooral niet te vroeg het sluistouw los van de bolder; het kolken in de sluis zorgt voor onverwachte waterbewegingen ook al is het schutten al klaar. Bij grote sluizen is het verstandig om een losse stootwil bij de hand te houden voor onverwachte manoeuvres van onervaren schippers.

    Let op bij motorboten die in de sluis achteruit willen maneuvreren. De meeste motorjachten hebben een enkele schroef, waardoor die boten bij het langzaam achteruitvaren opzij zullen wegdraaien. Dit is een natuurkundig fenomeen waar zonder gebruik van een boegschroef niets tegen te doen is behalve meer vaart maken. Grote vrachtschepen hebben doorgaans een dubbele schroef en kennen dit effect niet. Kijk dus goed uit als een kleine motorboot in de sluis achteruit moet maneuvreren, houd een stootwil bij de hand! Overleg ook onderling welke roeiboot als eerste wegvaart uit de sluiskolk.

    Nog meer praktische informatie over de sluisgang vind je in dit filmpje, dit gaat weliswaar over een zeilboot, maar voor roeiboten werkt het niet veel anders. Hier is de link: https://m.youtube.com/watch?v=UdwvkFShT0A

    Afbeelding 20 Zoet-naar-zout sluis met luchtbellenscherm.

    Op de scheiding van zoet naar zout water kom je speciale sluizen tegen, namelijk met een scherm van luchtbellen. Maak in deze sluizen altijd eerst achter vast als je van zoet naar zout schut. Je hebt dan namelijk stroom mee in de sluis. Als je dat niet doet, is de kans groot dat je dwars of achterstevoren in de sluis eindigt. De krachten van het water op de boot zijn veel groter dan die van de wind, zeker in de beschutting van de sluis. Bij invaart van een zoet-naar-zout sluis zie je bij de ingang van de kolk het luchtbellenscherm. Dit geeft eerst een tegenstroom en na passeren een meestroom. Uit oogpunt van manoeuvreerbaarheid is het van belang het scherm met voldoende snelheid te passeren en vervolgens ruimte te maken voor achteropkomende boten. Ook bij het uitvaren dien je het bellenscherm met voldoende snelheid te passeren.

    Afbeelding 21

    Niet alle zelfbedieningssluizen werken elektrisch met knoppen, sommige werken op spierkracht. Kijk voor je de deuren open doet eerst of en waar je daarna weer aan boord kan klimmen.

  • 11. Stuurboord wal houden, maar niet altijd

    Uit het Vaarreglement van de Politie voor de Binnenvaart: “Het blauwe bord, in combinatie met een wit helder rondom schijnend knipperlicht, is in de binnenvaart sein waarmee een schip aan een op tegengestelde koers naderend ander schip het verlangen kenbaar kan maken, dat het voorbijvaren op stuurboord zal geschieden. Stroomopwaarts varende schepen voeren het blauwe bord wanneer ze de (linker-) binnenbocht nemen, om de sterke stroming aan de buitenbocht te vermijden. Een schipper mag daarbij niet zomaar zijn blauwe bord trekken. Voor een afvarend schip moet hij een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.”

    Dus als je een vrachtschip tegenkomt met naast de stuurhut het blauwe bord in verticale stand geklapt dan gaat dat schip de bakboordwal houden. Als jij als roeier tijdens het voorbijgaan van dat schip ook bakboordwal houdt, dan zal het passeren meestal goed en veilig gaan. Helaas lukt dit niet altijd, zoals bij heel breed vaarwater of als je de boot met het blauwe bord te laat opmerkt, bijvoorbeeld vlak voor een bocht of bij veel verkeer. In zo’n geval kun je niet op tijd naar de overkant, maar kan een vlucht tussen de kribben of aanhaken aan de wal een goede oplossing zijn. Houd op die plekken rekening met sterke tot zeer sterk golfslag omdat het schip tegen de stroming in moet ploegen. De snelheid van ‘naderen’ wordt vaak onderschat. Dit is de snelheid van het water van ca. 5-6 km/u plus onze roeisnelheid van 6 km/u plus de snelheid van het binnenvaartschip, alles bij elkaar kan dit ca. 20 km/u bedragen!

  • 12. Roeien en vaarregels

    In dit roeiboek zijn de verkeersregels op het water en de veiligheid bij het roeien in andere hoofdstukken al beschreven, maar als toerroeier krijg je meer met andere boten te maken dan op ons thuiswater, de Mark. Op het water heerst in de regel een zekere hoffelijkheid: rekening houden met elkaar in het besef dat je soms op elkaar bent aangewezen. Dat besef dateert uit tijden dat, als je in moeilijkheden verkeerde, je aangewezen was op die enkele voorbijganger op de grote plas. Het zal de Bredase roeiers sieren als men die hoffelijkheid hoog houdt.

    De belangrijkste regel is: “goed zeemanschap”. Artikel 1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) zegt letterlijk het volgende. De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:
    A. Het leven van personen in gevaar wordt gebracht.
    B. Schade wordt veroorzaakt aan andere schepen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard dan ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden.
    C. De veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.

    Kortom, enerzijds vrijheid – blijheid. Maar aan de ander kant geldt er een grote verantwoordelijkheid bij met name de stuurman van de boot. Alleen hij of zij is verantwoordelijk voor het juist opvolgen van het vaarreglement. Alle roeiers dienen de commando’s van de stuurman daarom op te volgen.
    De verantwoordelijkheid is steeds gericht op het voorkomen van ongevallen, gevaar en schade. Het is om die reden, dat de stuurman “de baas” aan boord is en de roeiers zijn commando´s moeten opvolgen, tenzij ze in strijd zijn met de beginselen voor voorkoming van ongevallen, gevaar en schade.

    In het BPR staan veel verkeersregels, maar een springt er uit als het over roeiers gaat. Dit is artikel 1.12 en gaat over buiten boord uitstekende voorwerpen: een schip mag geen voorwerpen hebben uitsteken, tenzij daarmee geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade kan worden veroorzaakt. Dit betekent dus, dat als er door de riemen wél hinder wordt veroorzaakt of gevaar voor schade dreigt de uitstekende riemen moeten worden binnen gehaald. De stuurman moet dan, direct het commando “Laat slippen (bakboord/stuurboord/beide boorden) . . . nu!” geven en laten uitvoeren. Dus let op: als wij al roeiend schade aan andere boten toebrengen door de uitstekende riemen, zijn wij verantwoordelijk voor de schade.

  • 13. Tot slot

    Dit hoofdstuk van het Roeiboek heeft een paar inkijken gegeven in de theoretische kant van het toerroeien, maar het spreekt voor zich dat je toerroeien hoofdzakelijk in de praktijk moet leren.

    Wil je beginnen met toerroeien, begin dan met de eendaagse Instructietoertocht naar Geertruidenberg en als dat je goed is bevallen probeer dan de andere roeitochten. De grote buitenlandse roeitochten zijn dingen die je zeker op je bucketlist wilt zetten, zoals bijvoorbeeld de Vogalonga in Venetië, maar voor je daaraan begint is het goed om wat toerroeiervaring op te gaan doen.

  • Bijlage 1 – Paklijsten

    Per boot neem je mee:

    • 2 (of 4) rolbankjes
    • 2 hoosvaten of pomp
    • 2 kussens voor op de stuurstoel
    • 2 landvasten (meestal vast in de boot gemonteerd)
    • 2 losse taften met steunhout, voor over de punten, bij gebruik van houten wherry’s op open water
    • 2 meerpennen
    • 2 peddels
    • 2 pikhaken
    • 2 sluistouwen van elk 12 meter (in het buitenland 20 meter), deze zijn alleen nodig als sluizen gepasseerd moeten worden
    • 2 stootwillen om de bootrand te beschermen
    • 4 riemen voor een wherry, 8 riemen voor een c4x+
    • Dweil en spons voor het droogmaken van het binnengedeelte van de boot
    • EHBO-set met aluminium reddingsdekens (goudkleurige zijde naar buiten is tegen onderkoeling; zilverkleurige zijde naar buiten tegen hitte).
    • Gereedschapsetui met daarin: riggersleutel 10/13, kleine Bahco, Multitool bijvoorbeeld Leatherman, tie-wraps, rol Tesa Powertape, klein bosje touw, Stanleymes en een stel reserve boutjes, ringen en moeren.
    • Grote plastic zakken voor om de kussens, bij regen
    • Kompasje
    • Nederlandse vlag en verenigingsgeusje
    • Plastic zakken en enkele handdoeken, verpakt in aparte plastic tas.
    • Reflecterend hesje voor de boegroeier, voor betere zichtbaarheid.
    • Roer met roerpen
    • Rugsteun voor de stuurman
    • Toeter voor het afgeven van signalen
    • Waterkaart met daarop je vaarroute.
    • Zaklamp en rondschijnende lamp (bij varen na zonsondergang of in een tunnel bij een tocht buitenland)
    • Zwarte rubberen mat voor instap bij de stuurplaats

    Per toerroeigroep als geheel neem je mee:

    • 2 reserve riemen (bij meerdaagse tocht);
    • Passend reserve rolbankje (bij meerdaagse tocht);
    • Kabel met kabelslot om de boten op slot te kunnen leggen
    • Voor de botenwagen: disselslot en de sleutel, wielmoersleutel, krik en kentekenbewijs (niet voor de kleinste botenwagen)

    Voor jezelf neem je mee:

    •  Aanwijzingen over de tocht
    • Bidons en/of thermoskan met voldoende drinken, reken in de zomer op minstens 1,5 liter per dag
    • Briltouwtje
    • Droge kleding en handdoekje
    • Eten en versnaperingen voor onderweg
    • Handschoenen om blaren te voorkomen
    • Kleding aangepast voor koud of warm weer
    • Leesbril voor het lezen van de kaart
    • Medicijnen, bv bij allergie of insectenbeten
    • Mobiele telefoon met nummers van deelnemers, etc.
    • Reddingsvest
    • Regenkleding
    • Rijbewijs, paspoort of identiteitsbewijs en geld.
    • Thermisch ondergoed
    • Waterdichte plunjezak 10 of 20 liter inhoud met oprolsluiting, aan een touwtje
    • Windjack
    • Zitkussentje voor op het rolbankje
    • Zonnebrandmiddel
    • Zonnebril en een pet/hoed/klep tegen de zon

    Je persoonlijke bagage in de boot neem je het beste mee in een waterdichte plunjezak met oprolsluiting. Bind deze tas in de boot vast met een lijntje of met de gesp van de tas. Zorg ook dat deze tas is gemerkt met je naam.

  • Hoofdstuk 7 – Toerroeien

    • Waterkaarten van ANWB voor de meeste Nederlandse Vaarwateren.
    • Gegevens over vaarreglementen en vaarweggegevens zijn te vinden in de Wateralmanak (2 delen) van de ANWB
    • Davilar, R.R.J. en P.Schierbeek. Toerroeien door Nederland. De Vrieseborch, Haarlem (1990)
    • Deutscher Ruderverband. Handbuch für das Wanderrudern. Limpert Verlag
    • Waterkaarten van Duitsland zijn beschikbaar via via uitgeverij Jübermann www.juebermann.de en Tourist Verlag Kümmerly+Frey heeft een serie Wasserwanderatlassen en ook Datema Waterkaarten van heel Europa.
    • Waterkaarten van Frankrijk zijn beschikbaar via uitgeverij Navicarte www.grafocarte.fr
    • Waterkaarten van het Verenigd Koninkrijk zijn uitgegeven door Imray Laurie Norie & Wilson
    • Informatie over vaarreglementen, actuele omstandigheden met betrekking tot waterstanden, openstellingen van sluizen en bruggen en buitengebruikstellingen van vaarwegen en dergelijke zijn te verkrijgen via de websites van waterbeheerders. Soms zijn links te vinden op de sites van roeibonden en andere watersportbonden.

    Afbeelding 23 Afbeelding 24
    ANWB Wateralmanak deel 2 Magazine Roei!

    Links over toerroeien:

    KNRB Toerroeien
    Varen doe je samen
    Toer !
    Roei !
    Binnenvaartpolitiereglement (BPR)
    Toerroeien in Duitsland
    Rowing in Europe
    Getijdegegevens

    Nog meer informatie over toerroeien:

    • RV Breda brochure: Instructietocht Toerroeien
    • RV Breda magazine: Easy All
    • RV Breda Prikbord in de sociëteit
  • Compleet hoofdstuk 7 in PDF – 13,5 MB

roeiriem Roeivereniging Breda

Lees verder

Hoofdstuk 6 – Wedstrijdroeien

 

Inleiding
Seniorwedstrijden/open categorie
Veteranenroeien
Wedstrijden voor veteranen
Voorbereiding en materiaal
Sturen
Materiaal
Begeleiding en coaching
Kamprechters
Deelnemen aan wedstrijden

6. 1 Inleiding

6.1.1
De meeste roeiverenigingen richten zich in hoofdzaak op wedstrijdroeien. Sport is per definitie competitief en wedijver is de motor achter een breed palet aan activiteiten. Bij het wedstrijdroeien zijn er verschillende categorieën en typen wedstrijdroeien te onderscheiden. Het competitieniveau van roeiwedstrijden wordt bepaald door leeftijd, afstand en of het een regionale dan wel landelijke wedstrijd betreft. Er zijn separate wedstrijdcircuits voor Seniorenroeiers (18+, de open categorie), Veteranen of Masters (27+ en niet deelnemend in het seniorenveld) en Jeugd.

6.1.2
Binnen RV Breda worden wedstrijden vooral in het veteranenveld geroeid. Daarnaast is de jeugd actief in zowel regionale competitiewedstrijden als nationale wedstrijden voor junioren.

6.1.3
Zie ook site knrb

6.2 Seniorenwedstrijden/open categorie

6.2.1
Vanaf het jaar waarin een roeier 19 jaar wordt, start hij in de seniorennummers. Van deze roeiers wordt verwacht dat zij intensief en daarom ook begeleid trainen. Hieronder volgt een korte opsomming van de klassen binnen het seniorenroeien. Aangezien er maar weinig seniorenroeiers bij RV Breda actief zijn, ligt een verwijzing voor meer informatie naar de KNRB website voor de hand.

6.2.2
De wedstrijden worden niet gemengd gevaren, dat wil zeggen dat er een onderscheid naar geslacht: man of vrouw is. Tevens is er i.t.t. de veteranen bij senioren een onderscheid in twee gewichtsklassen: Zwaar roeien (of open klasse) en Licht roeien (heren: minder dan 72,5 kg; bootgemiddelde minder dan 70 kg; dames: minder dan 59 kg; bootgemiddelde minder dan 57 kg).

6.2.3.

Sinds 2017 geldt er een nieuwe indeling van de verschillende klassen.
Beginner, Gevorderd & Elite.
In plaats van klasse indeling op basis van behaald aantal blikken of overwinningen stappen we over op klasse indeling op basis van behaald aantal punten. Ook nieuw is dat we gaan kijken naar ploeggemiddeldes.
Zie hiervoor ook op de website van de KNRB onder “De Roeisport”, “Senioren”

a) “Senioren op een algehele vereniging”

b) “Studenten wedstrijdroeien”

Alles over “prestatiepunten & klassen”, “wedstrijdvelden”, “type wedstrijden”

https://knrb.nl/artikel/prestatiepunten/

https://knrb.nl/artikel/wedstrijdvelden/

https://knrb.nl/artikel/type-wedstrijden/

6.3 Veteranenroeien (m/v)

Binnen RV Breda is het veteranenroeien zeer populair. Internationaal heten veteranen die wedstrijden roeien masters. Deze term wordt ook in Nederland steeds meer gebezigd.
Kenmerkend voor het veteranenroeien is de indeling op leeftijd. Roeiers vanaf 27 jaar mogen deelnemen in het veteranenveld.

6.3.1 (Leeftijds)categorieën veteranen

6.3.1.1
Voor de bepaling van de gemiddelde leeftijd van een ploeg gelden de leeftijden zoals die in het lopende kalenderjaar bereikt worden.

  • Masters A: minimum leeftijd 27 jaar
  • Masters B: gemiddelde leeftijd tenminste 36 jaar
  • Masters C: gemiddelde leeftijd tenminste 43 jaar
  • Masters D:gemiddelde leeftijd tenminste 50 jaar
  • Hierna in stappen van 5 jaar: Masters E ≥ 55, F ≥ 60, G ≥ 65, H ≥ 70, I ≥ 75, J ≥ 80, daarna stappen van 3 jaar: K ≥ 83, L ≥ 86, M≥ 89

6.3.1.2
Over het algemeen wordt gepoogd roeiers van dezelfde of van dicht bij elkaar liggende leeftijdscategorieën tegen elkaar te laten uitkomen. Bij (regionale en club-) wedstrijden met relatief weinig deelnemers per veld wordt veelal gebruik gemaakt van correctiefactoren, waardoor de prestaties van roeiers van uiteenlopende leeftijden, mannen en vrouwen, in verschillende boottypes zich met elkaar laten vergelijken. De bij RV Breda gebruikte correctiefactoren zijn door Willem Muller, een actief lid van onze vereniging, uitgerekend aan de hand van prestaties behaald bij internationale korte afstand- en nationale lange afstandwedstrijden. Zo kan de tijd van bijvoorbeeld een jeugdskiffeuse vergeleken worden met die van een heren veteranen D acht. De correctiefactoren en achtergronden hiervan kun je vinden op: www.correctiefactoren.nl

6.4 Wedstrijden voor veteranen

In het veteranenveld kan op veel verschillende afstanden en niveaus geroeid worden.

6.4.1 Verenigingsniveau: Markcompetitie
Elke tweede zaterdag van de maand, van november tot en met april, wordt de Markcompetitie gevaren. Hoewel geen echte veteranenwedstrijd, zijn bij deze onderlinge regatta die open staat voor alle leden van RV Breda met enige roeiervaring, de veteranen veruit het best vertegenwoordigd. Wedstrijdroeiers van andere verenigingen zijn in overleg welkom. Doordat wordt gewerkt met bovengenoemde correctiefactoren heeft elke deelnemer kans om te winnen. Er wordt geroeid van kilometerpaal 9 tot het verenigingsgebouw over een afstand van 4.8 km, volgens het stramien van de (middel)lange afstanden.

6.4.2 (Middel)lange afstanden: regionaal/nationaal

6.4.2.1
Wedstrijden variëren van 4-8 km. Er wordt meestal geroeid met een vliegende start achter elkaar met een interval van 15 seconden. Internationaal worden dergelijke wedstrijden veelal “Head Races” genoemd naar de “Head of the River, along the river Thames”. Omdat vaak op smal water met bochten en bruggen geroeid wordt, is stuurervaring vereist. Ook dient men kennis te hebben van de inhaalregels op de lange baan, waar in het algemeen geldt dat de snellere, inhalende boot voorrang moet krijgen. De langzamere boot moet dan uitwijken naar een minder gunstige positie.

6.4.2.2
Veel verenigingen organiseren hun eigen wedstrijd. Inschrijving is over het algemeen open voor jeugdroeiers, bedrijfsroeiers en veteranen. Voorbeelden van dergelijke wedstrijden zijn: Abeelenrace (Goes), AA Race (Alkmaar), Beatrix Head Trial (Eindhoven), Moordregatta (Tilburg), Suikerrace (Roosendaal), Army Regatta (Breda, Dudok van Heel). Verder zijn ook wedstrijden als Spaarne Lente Race en Tromp Boat Races (najaar, Hilversum) bekend. Alle wedstrijden waaraan deelgenomen kan worden, staan op de verenigingskalender op de website van RV Breda of zijn terug te vinden op de wedstrijdkalender van de KNRB.

6.4.2.3
De Markregatta in Breda wordt jaarlijks door onze vereniging georganiseerd in juni. Er wordt boord aan boord gestart met twee deelnemers. Vanuit een klassieke wedstrijdstart wordt 5 km geroeid met finish voor de roeivereniging. Uiteraard verwacht de vereniging van Bredase wedstrijdroeiers dat zij zich dan laten zien en desgevraagd meehelpen bij het organiseren van deze eigen regatta.

6.4.3 Klassieke (voor- en najaars) lange afstandwedstrijden

Hoewel de term ‘klassiek’ wat arbitrair is, gaat het hier om wedstrijden met een meer nationaal en soms zelfs internationaal karakter. Deze wedstrijden worden voor zowel senioren als jeugd en veteranen georganiseerd. In het voorjaar zijn er de Heineken Roeivierkamp (voor achten over de vier halve schaatsafstanden), Head of the River (achten en dubbelvieren, 8 km over de Amstel), Twee en Skiffhead (7.5 km over de Amstel). In het najaar is de Novembervieren (4 km in een vier over de Amstel) de bekendste wedstrijd. Een fanatieke veteraan laat zich vooral ook op deze klassieke wedstrijden gelden. Op deze wedstrijden kun je jezelf meten mat de nationale top van je leeftijdscategorie.

6.4.4 Marathonwedstrijden

Naast de toertochten zijn er ook marathonwedstrijden en zelfs een marathonklassement. Bij roeimarathons worden afstanden van 15 tot 200 km overbrugd. Hoewel bij de tochten de prestatie van het uitroeien op de voorgrond staat, wordt er wel degelijk geroeid om de snelste tijd. Bekend is de Ringvaart regatta, waarbij 100 km over de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder gestreden wordt. Een leuke en minder lange wedstrijd is de IJsselregatta, 15 km met de stroom mee over de IJssel en altijd goed voor snelle tijden.
De langste marathonwedstrijd in Nederland is de Elfstedenroeimarathon die elk jaar in het Hemelvaartsweekend geroeid wordt: met een ploeg van 12 wordt in estafettevorm de klassieke Elfstedenroute geroeid in wedstrijdverband. Vrijwel elk jaar doen één of meer ploegen van RV Breda aan dit evenement mee. De meest onvermoeibaren mogen dit tevens doen in de buitencategorie met een ploeg van 6 of zelfs 3 roeiers. De marathonwedstrijden en informatie over het marathonklassement zijn te vinden op de website van de KNRB.

6.4.5 Baanwedstrijden

6.4.5.1
Voor veteranen is de wedstrijdafstand op de baan meestal 1000 m, maar er wordt ook wel over 2000 m geroeid. Het gaat dan om boord-aan-boord wedstrijden met drie tot zes ploegen per boottype in dezelfde categorie geroeid op een roeibaan. Bij deze afstand zijn naast een uitstekende techniek vooral anaeroob vermogen en explosieve kracht van belang.

6.4.5.2
Wedstrijden worden zowel nationaal als internationaal georganiseerd. De Commissie Masters van de KNRB heeft als doel het doen organiseren van boord- aan-boord wedstrijden over 1000 meter voor masters. Tegenwoordig wordt voor veteranen jaarlijks in juni/juli de Dutch Masters Open ofwel “DMO-Tilburg” georganiseerd

6.4.6 Internationaal

Uiteraard kan deelgenomen worden aan een heel scala aan baanwedstrijden over 1 km maar ook aan lange afstandswedstrijden over de grenzen. Masters van RV Breda hebben bijvoorbeeld deelgenomen aan Henley Royal en Henley Masters Regatta op de Thames, Head of the River (Thames) en de Head of the Charles (Boston). Jaarlijks organiseert de FISA de World Rowing Masters Regatta in een andere stad/land. Dit is de officiële wereldregatta voor masters op de 1 km baan. Informatie over buitenlandse wedstrijden kun je vinden via de site van Worldrowing

6.4.7 Bijzondere evenementen

De Paul Veenemans Prijs (PVP) wordt elk jaar onder auspiciën van de KNRB bij een andere roeivereniging georganiseerd. Het is een klassementswedstrijd van schaatsen (4 km tijdrit), wielrennen (9-10 km tijdrit), hardlopen (5 km) en roeien (ca 3-3,5 km). Je neemt minimaal deel aan 3 onderdelen, waarbij roeien in een skiff of 2- verplicht is.

6.4.8 Kalender

Bovenstaand overzicht is natuurlijk verre van volledig. Vrijwel alle wedstrijden, regatta’s en roei-evenementen zijn te vinden op de KNRB-website. Via deze website zijn ook alle reglementen voor wedstrijden na te lezen of te downloaden.

6.5 Voorbereiding en materiaal

6.5.1
Het roeien van een wedstrijd geeft een extra dimensie aan je roeibeleving. Iedereen die wil, mag deelnemen. Houd wel rekening met het volgende:

  • Voldoende roei -en stuurervaring zijn vereist. Verwacht wordt dat kennis is genomen van de wedstrijdreglementen, ook als je deelneemt aan bijv. de Markcompetitie.
  • De KNRB beveelt aan dat roeiers zich medisch laten keuren wanneer zij de roeisport intensiever gaan beoefenen. Het niveau van de keuring hangt af van leeftijd en trainingsintensiteit en is ieders individuele verantwoordelijkheid. Zie hiervoor de KNRB website: richtlijnen voor sportkeuring.
  • Alle roei(st)ers én stuurman/-vrouw beschikken over een geldige KNRB wedstrijdlicentie. Ga naar de KNRB website: Aanvragen wedstrijdlicentie. Je eigen KNRB-bondsnummer vind je door in te loggen op de ledenmodule van RV Breda (All United).

6.5.2
Voor beginnende wedstrijdploegen is het aan te bevelen deel te nemen in C-materiaal. Met name de regionale wedstrijden hebben vaak de mogelijkheid om in C-boten deel te nemen.

6.5.3
De trainingsintensiteit verschilt zeer sterk per ploeg en varieert van zeven keer per week tot twee keer per week. Uiteraard bepaalt de trainingsarbeid die verricht is voor een groot deel het niveau dat je kunt bereiken, maar vooral ook zijn roeitechniek en een juiste aanpak van belang. Laat je daarom coachen indien mogelijk of vraag advies van een meer ervaren roeier en/of ploeg. Zij zijn altijd bereid tot het geven van adviezen en het delen van hun roei-ervaring. Indien je deel wilt gaan nemen aan roeiwedstrijden neem dan contact op met de wedstrijdcommissaris of een ander lid van de Wedstrijdcommissie.

6.6 Sturen

6.6.1
Het sturen op een wedstrijd is aan regels gebonden. Stuurlieden moeten op de dag van een wedstrijd tenminste 12 jaar oud zijn. Stuurlieden dienen voor een wedstrijd altijd gewogen te worden. Sommige wedstrijden nemen in hun wedstrijdbepalingen op dat stuurlieden minimaal 14 jaar oud moeten zijn. Voor vrouwenploegen geldt dat het gewicht van de stuur groter dan of gelijk aan 50 kg moet zijn. Voor mannenploegen is dit ≥55 kg. Is de stuurman/vrouw te licht dan dient extra ballast van maximaal 10 kg meegenomen te worden in de boot. Zie ook Hfst 4 Sturen en Commando’s.

6.6.2
Bij lange afstandwedstrijden wordt van stuurlieden of boegroeiers vaak geëist aanwezig te zijn op de stuurliedenvergadering van de specifieke wedstrijd, om optimaal geïnformeerd te zijn over het parcours.

6.6.3
Zowel voor roeiers (boeg) en stuurlieden geldt dat zij aansprakelijk zijn, indien zij bij een wedstrijd schade (aan derden) veroorzaken. Van alle leden wordt trouwens verlangd dat zij WA verzekerd te zijn. Het verdient aanbeveling vooraf goede afspraken te maken, met name als een jeugdlid onder supervisie van de slag als stuur ingezet wordt. Bij schade altijd de gegevens van de andere partij opnemen!

6.7 Materiaal

De wedstrijdroeier van elke categorie kan toestemming krijgen voor goede kwaliteitsboten die gereserveerd zijn voor het wedstrijdroeien, de zogenaamde TWC-boten (Toestemming Wedstrijd Commissie). Er is een reglement gemaakt waarin beschreven staat hoe je als wedstrijdroeier dit voorrecht kunt verkrijgen.

6.8 Begeleiding en coaching

6.8.1  Voor de begeleiding van roeiers uit de bovenstaande categorieën is de Wedstrijdcommissie altijd op zoek naar enthousiaste coaches. Daarom hierbij een oproep aan die leden, die affiniteit met het wedstrijdroeien hebben en willen coachen, om zich te melden bij de Wedstrijdcommissaris.

6.8.2  Er is een trainings/coachingsgroep gericht op 18-35 jarige en iedereen die zich thuis voelt in die groep. Als je in contact wil komen met deze groep stuur dan een mail aan: roeien@rvbreda.nl.

6.9 Kamprechters

6.9.1
Als je tenminste 18 jaar oud bent kun je je (via de vereniging) aanmelden als kamprechter. We onderscheiden:

  • kamprechter C: voor niet-nationale tijdraces);
  • kamprechter B (voor niet-nationale wedstrijden, treedt in alle functies op in samenwerking met een kamprechter A);
  • kamprechter A (treedt in alle functies op bij alle nationale en niet-nationale wedstrijden) en
  • FISA-kamprechter (= internationaal kamprechter, verder als kamprechter A).

6.9.2
Zeker na een carrière als wedstrijdroeier kun je als kamprechter heel dicht bij het wedstrijdroeien blijven en draag je op een positieve manier daaraan bij. Inlichtingen daarover kun je (evt via de Wedstrijdcommissie) krijgen bij de kamprechters die lid van onze vereniging zijn.

6.10 Deelnemen aan wedstrijden

6.10.1 De Wedstrijdcommissie
Bij RV Breda maakt de wedstrijdcommissaris deel uit van het bestuur. Hij wordt bijgestaan door een Wedstrijdcommissie die onder meer de volgende taken heeft:

  • Inschrijvingen.
  • Betalingen verband houdend met deelneming aan wedstrijden.
  • Regelingen omtrent botenvervoer bij elke wedstrijd inclusief op- en afladen door deelnemende ploegen.
  • Contacten met wedstrijdploegen en coaches.
  • Wedstrijdactiviteiten door de RV Breda georganiseerd (zie boven).
  • Publicaties in ‘Easy All’ en op de website.
  • Contacten met andere verenigingen.

6.10.2 Inschrijven
Roeiers van RV Breda schrijven voor binnenlandse wedstrijden in via het formulier op de website (http://www.rvbreda.nl/commissies/wedstrijden/inschrijfformulier-wedstrijden). Op de site staat ook informatie over het aanvragen en gebruik van wedstrijdboten. De Wedstrijdcommissie draagt zorg voor de inschrijving via de KNRB site. Bij wedstrijden waar dat mogelijk is betaalt de vereniging het inschrijfgeld vooruit. Twee maal per jaar ontvangt iedere ploeg een rekening voor de inschrijfgelden die door de vereniging zijn voorgeschoten. Indien een ploeg deelneemt aan een buitenlandse wedstrijd is deze zelf verantwoordelijk voor de inschrijving en het voldoen van het inschrijfgeld. Soms wordt gevraagd het inschrijfgeld van te voren te voldoen.

6.10.3 Medische keuring
De KNRB adviseert dat alle wedstrijdroeiers medisch gekeurd zijn. Het bestuur ziet dit als de eigen verantwoordelijkheid van de wedstrijdroeier.

6.10.4 Wedstrijdkleding
Roeiers die deelnemen aan wedstrijden zijn verplicht zich te kleden in de officiële kleding van de RV Breda conform KNRB-richtlijnen. Bij koude mag onder het wedstrijdpak een wit shirt met lange mouwen worden gedragen en over het wedstrijdpak een lange zwarte broek. Zulke afwijkingen dienen binnen de ploeg te worden afgestemd. Dit geldt evenzeer voor het dragen van een pet.

https://knrb.nl/nieuws/informatie-nieuwe-kledingregels/

6.10.5 Schade
Bij wedstrijden bestaat een grote kans op schade dan wel verlies van materiaal. De ploegen (roeiers en/of stuurlieden) zijn verantwoordelijk voor het voorkomen daarvan en de vereniging kan eventuele materiële schade op hen verhalen. De wedstrijdcommissie adviseert het bestuur in overleg met de materiaalcommissaris in voorkomend geval over afdoening.

6.10.6 Transport
De boten voor een wedstrijd worden met de RV Breda botenwagen getransporteerd, tenzij er een regeling met een andere vereniging is getroffen. Toestemming voor gebruik van de botenwagen berust bij de Wedstrijdcommissie, maar de verantwoordelijkheid voor het trekken van de botenwagen berust bij de ploeg(en) die aan de wedstrijd deelneemt/deelnemen. De avond voor de wedstrijd riggert iedere deelnemende ploeg zijn eigen boot af en zorgt dat deze, inclusief toebehoren, op de botenwagen is vastgelegd. Waar mogelijk dienen boten in beschermende hoezen vervoerd te worden. Na de wedstrijd rijdt de botenwagen weer terug, waarna de ploegen de boten dezelfde avond weer afladen, opriggeren en op de juiste plek in de loods leggen. De Wedstrijdcommissie schrijft boten voor een wedstrijd af in het BRS.

ZIE VERDER BIJLAGE 1 BIJ HOOFDSTUK 2

 

Hoofdstuk 5 – Afroeien

 

Hoofdstuk 4 – Basisinstructie Masterclass

Algemene inleiding voor roeien in gladde boten
Behandeling van het materieel
Verbeteren van vaardigheden
Dynamische bootsnelheid
Coaching en instructie
Boordroeien algemeen
Techniek boordroeien
S2 cursus: roeien in een gladde twee
S3 cursus: roeien in een gladde skiff
S4 cursus: roeien in een gladde vier

4.1  Roeien in gladde boten

4.1.1 Informatie over doorstroomroutes naar vervolgcursussen

Na het behalen van je S1-bevoegdheid ga je op de website van RVBreda bij Commissies>Instructie naar de link: routes_instructie

Zoals je in dit overzicht kunt lezen, geeft de S1-bevoegdheid toegang tot een vervolgcursus en kun je je blijven ontwikkelen. Er zijn vier mogelijkheden, deels overlappend, waarvoor de instroomeis je S1-bevoegdheid is:

4.1.2 Waar vind je de juiste persoon om verder te kunnen?

  • Coördinatoren voor lessen: op de website RVBreda bij Commissies>Instructie naar de link: commissieleden – Roeivereniging Breda. Je stuurt een e-mail naar de betreffende coördinator of de instructiecommissaris met het verzoek je op de lijst te plaatsen voor de eerstvolgende cursus. Cursussen starten begin april, meestal zijn de cursussen dan al snel volgeboekt. Wees er dus op tijd bij.
  • De cursussen Toerroeien (commissieleden en het rooster Toertochten) vind je bij Commissies>Toer. Link TOER – Roeivereniging Breda

4.2 Behandeling van het materiaal (zie ook Hoofdstuk 2)

4.2.1 Bootcontrole voordat je het water op gaat

Bootcontrole maakt deel uit van het afroeien in gladde boten en is belangrijk voor de instandhouding van het materiaal en de veiligheid. Controleer dus je boot voordat je het water op gaat. Niet controleren kan gevaarlijke situaties opleveren voor jezelf en voor andere roeiers en kan een al aanwezige schade vergroten. Van roeiers wordt verwacht dat zij in staat zijn om hun boot op kleine punten te herstellen en aan te passen zodat een veilige vaart wordt gediend. Als zelf ter plekke repareren niet lukt, boot uit de vaart melden en in BRS een schademelding maken (zie 4.2.4). Zo nodig een andere boot afschijven.

4.2.2 Controleer je boot op de volgende punten

  • Heelstrings – wanneer de touwtjes niet vast zitten, kun je mogelijk niet uit je schoenen komen bij omslaan
  • Schoenen niet te vast, anders zijn je voeten niet snel los te maken bij omslaan
  • Voetenbord strips
  • Zit de boegbal vast? Zo niet, melden en boot niet gebruiken. Je bent een gevaar voor andere roeiers: uit de vaart en andere boot pakken
  • Alle moeren van de riggers en dolpennen checken
  • Dollen in orde en op de juiste hoogte
  • Luikjes dicht en kurken in de dekjes
  • Klemmetjes van het bankje
  • Kragen van je riemen

En controleer ook jezelf:

  • Ben je niet fit? Ga dan niet het water op
  • Weersvooruitzicht, lucht- en watertemperatuur/windkracht
  • Kleding/fysieke bescherming in laagjes
  • Telefoontje in waterdicht hoesje meenemen
  • Bij koud water een warmtedeken meenemen

4.2.3 Poetsinstructie gladde boten (zie ook 2.5.6)

Gebruikersonderhoud maakt deel uit van het afroeien in gladde boten en hoort bij ‘zorg voor het materiaal’ en ‘veiligheid’.

  • De boot in de schragen/op bokjes, altijd iemand erbij
  • De boot soppen en naspoelen
  • De huid van de boot en de taften zorgvuldig afdrogen, ook de boordranden
  • De boot op de kiel leggen
  • De slidings en de wieltjes schoonmaken met schuursponsjes en nadrogen met oude doeken (asjes en wieltjes zijn gevoelig voor vuil)
  • De boot aan de binnenkant droog en schoonmaken
  • Luchtkamerkleppen open zetten
  • Evt. kleine onvolkomenheden aan de boot verhelpen
  • Evt. trapjes klaarzetten bij de stelling
  • Boot naar binnen brengen. Nergens tegenaan stoten
  • De taften en de boordranden nogmaals afdrogen
  • Riemen en ander los materiaal naar binnen brengen. Riemen per paar (niet in een bos) naar binnen brengen
  • Evt. trapjes weer opbergen

4.2.4 Schades

Schades hoor je te melden in het BRS, ook als je deze niet zelf veroorzaakt hebt, maar alleen geconstateerd: website> BRS> Inloggen> Beheren> Schades> Melden. Wees sportief en meld elke schade ongeacht hoe deze is ontstaan! Probeer kleine schades of onvolkomenheden aan het materiaal allereerst zelf te verhelpen. Alle schades die niet direct kunnen worden verholpen moeten worden gemeld met het invullen van een melding via BRS. Schat bij de schademelding ook in of de boot uit de vaart moet worden genomen (zie ook 4.2.1).

Bij grote schades en indien een zogeheten derde partij bij de schade is betrokken, moet ook een schadeformulier worden ingevuld; dit in verband met het eventueel kunnen verhalen van de schade, met linkje: Schade aangifte (roeiverenigingbreda.nl). Verzamel bij een aanvaring zoveel mogelijk gegevens en maak een schets van de situatie. Bij grote schades is het zaak ook de materiaalcommissaris te informeren en bij ongevallen met lichamelijk letsel – in verband met eventuele publiciteit en mogelijke politieaangifte – tevens de bestuurssecretaris. Niet alleen schades maar ook ongevallen met lichamelijk letsel en incidenten (bijna-ongevallen) dienen via BRS te worden gemeld.

4.3  Verbeteren van vaardigheden

4.3.1   Oefeningen

Oefeningen om zelf bepaalde ‘roeifouten/verbeterpunten’ aan te pakken kun je vinden bij www.roeiapp.nl (van Jeroen Brinkman). Daar worden roeifouten (alfabetisch weergegeven) en adviezen wat je daaraan kunt doen, besproken, gefilmd en uitgelegd. Uit de cursus Boordroeien van Jeroen zijn delen gebruikt bij het schrijven van dit onderdeel van het Roeiboek.

Basisafstellen van je boot en voetenbord plus juiste hendelvoering komen voorbij. Afstellen voor gevorderden vind je daar ook (altijd sleuteltje 10 bij je). Wanneer je weet waar je kunt verbeteren, kun je daar vaak ook zelfstandig mee aan de slag. Ook als naslag handig.

Jeroen Brinkman verzorgt landelijk trainingen voor roei-instructeurs en ploegcoaches. Ook bij RVBreda. Je moet dan wel de term onthouden waarop je kunt verbeteren. Pak je verbetertraject punt voor punt aan, niet alles tegelijk willen. Spreek met je instructeur(s) af waar je in de les aan gaat werken. Dan kan hij/zij gericht kijken/ bij jou navragen of er verbetering is en of je begrijpt wat er fout gaat. Wanneer je voor je gevoel lekker roeit, doe je het meestal ook goed/beter.

4.3.2 Ontwikkelen van vaardigheden na S1 is een continu proces

Een goede roeihaal is aan te leren door vooral veel te roeien. Alleen zo kun je de coördinatie van beschreven bewegingen en houdingen in de boot inslijpen. Bij het roeien zijn verder de volgende vaardigheden van belang:

Algemeen:

  • Blessuregevoelige punten vermijden: polsen
  • Het in evenwicht brengen van de boot. Balans is essentieel. Gebruik je rug-en buikspieren hierbij (core-stability)
  • Gelijk roeien, volg het ritme van de slag
  • Timen van de verhouding tussen haal en recover. Contrast in ritme
  • Het laten “glijden” van de boot en de snelheid niet verstoren
  • Het haalbeeld leren aanpassen aan dat van je ploeg
  • Actieve zit, trots en rechtop zitten met aangespannen buik- en rugspieren

Laatste deel haal:

  • Timen van de uitpik en snel wegzetten van de riemen (rondje achter)
  • De wegzet gebeurt door de handvatten naar de dijen te drukken en snel met romp en armen tegelijkertijd naar voren te buigen tot voorbij de knieën(moderne wegzet)

Herstelfase:

  • Timen van het oprijden om de boot zijn optimale snelheid te laten behouden.
  • De roeier zit ergens tussen vaste bank en ¼ bank volledig ingebogen en met gestrekte armen klaar om op te rijden
  • De nek is lang, kin omhoog, rug gestrekt

Inpik:

  • Klippen als je de knieën voorbij bent/boven de scheenbenen
  • Het plaatsen van de bladen tijdens het laatste stukje oprijden
  • De volledige inpik bestaat uit drie stappen: water naderen, plaatsen en vastzetten. Tijdens de inpik staat het bankje niet stil

Arbeidsfase:

  • Optimaal oppakken van de boot, met de benen, zodra de bladen bedekt in het water liggen
  • Het koppelen van beentrap, rugzwaai en aanhalen van de armen
  • Voetendruk houden tot de uitpik, daarna de rugzwaai
  • Duw met de benen de navel naar achteren, hou tegendruk met buikspieren, om aan het eind af te maken met de armen
  • Het versnellen van de boot in de drivefase.

Instructeur: Check voor de ploeg:

  • Gelijkheid, ritme en contrast, bladen, riemen, inpik, uitpik
  • bewegingsvolgorde haal: benen, romp en armen
  • Balans en juiste aanhaalhoogte
  • Doorlopen van de boot

4.3.3 Oefenen op het water en op de ergometer

Deze vaardigheden kun je alleen aanleren door veel te oefenen en oefening baart kunst, dat wil zeggen een steeds betere roeihaal. De beste oefening doe je in de boot. Een nuttige aanloop is het oefenen van de roeihaal in de roeibak op het vlot. Ook de roeiergometer is een goed instrument om je roeibeweging te trainen. Naast Concept-2 ergometers beschikt de roeivereniging over een Rowperfect ergometer die speciaal geschikt is voor het trainen van timing en coördinatie. Probeer zodra je enig niveau bereikt hebt ook eens met meer ervaren roeiers in de boot te stappen om het gevoel van goed en ritmisch roeien te ervaren. Uiteraard gaan eigen inzet en een goede coaching/instructie hand in hand met de mate van vooruitgang. In een gladde boot zul je je roeitechniek dus vooral verbeteren door veel te roeien en veel te oefenen. Roei ook door in de winter. Maak kilometers, daag jezelf uit door minimaal naar de brug over de A-16 op en neer te roeien.

4.4 Dynamische bootsnelheid

Onderstaande grafiek is een weergave van de dynamische bootsnelheid. Het laat zien hoe de snelheid van de boot varieert rond het gemiddelde (100%). Het eerste dat opvalt, is dat de tijd tussen de inpik en uitpik kleiner is dan de tijd tussen uitpik en inpik. Deze roeier rijdt rustig op. Verder is te zien dat de bootsnelheid na de uitpik nog steeds toeneemt. Dat komt omdat de roeier zich moet optrekken aan het voetenbord om zijn bewegingsrichting om te keren. Daarbij neemt de bootsnelheid toe, maar de snelheid van het systeem van roeier met boot niet. Vlak voor de inpik moet de roeier zich voorbereiden om zijn bewegingsrichting opnieuw om te keren. Hij doet dat door zijn bewegingssnelheid af te remmen op het voetenbord. De druk die daarbij ontstaat remt de boot snel af. Wanneer een roeier na de uitpik snel oprijdt neemt de bootsnelheid veel toe. Maar omdat de roeier het voetenbord met een extra grote snelheid nadert moet er ook extra veel worden afgeremd. Zo’n roeistijl is niet efficiënt. Het is beter om achter snel te keren, vervolgens beheerst -met eenparige snelheid- op te rijden, en voorin tijdig in te pikken.

dynamische bootsnelheid

4.5 Coaching en instructie, opleiding voor instructeurs

4.5.1

Technisch vermogen, conditie en motivatie bepalen voor het grootste deel het niveau van de prestaties van de roeier. Daarnaast zijn fysiologische aanleg en motorisch talent van belang. Roeien vergt aanzienlijke technische kwaliteiten om een hoog prestatieniveau te behalen. Kracht, uithoudingsvermogen en andere fysiologische aspecten kunnen alleen optimaal benut worden als de roeier de vaardigheden bezit om deze te gebruiken voor het verhogen van de bootsnelheid. Vaak kunnen kleinere, en minder sterke lichte ploegen zich meten met sterkere zware ploegen – in het bijzonder in de kleine nummers – omdat ze technisch beter zijn.

4.5.2

Coaches en instructeurs moeten zich concentreren op de basisprincipes van de roeitechniek. Daarmee kun je zowel beginnende als gevorderde ploegen instructie geven. Bij coaching gaat het niet alleen om het aanleren en verbeteren van de roeitechniek, maar ook om het scheppen van gunstige voorwaarden die leiden tot goede roeiprestaties en wordt meer gebruikt bij wedstrijdroeiers.

Vele ervaren en succesvolle coaches en instructeurs hebben hun methodieken in de loop der jaren vereenvoudigd. Als instructeur moet je de basisprincipes van de roeitechniek volledig begrijpen en beheersen. Je moet een duidelijk beeld van de roeihaal hebben en in staat zijn om dit in simpele termen duidelijk te maken aan je cursisten.

Vanuit Instructie wordt bij voldoende belangstelling, op onze vereniging, een opleiding (https://roeicoach.com) voor aankomende instructeurs georganiseerd door Jeroen Brinkman. Heb je interesse, neem dan contact op met de Instructiecommissaris. Ook beginnende roeiers zijn van harte welkom, want je leert er zelf ook ontzettend veel van, een goede investering.

4.6 Boordroeien algemeen

Raadpleeg routes_instructie

4.6.1 Wat leer je?

De indeling in boten is: B1 (gestuurde C-boten), B2 (gestuurd glad) en B3 (op boeg in gladde ongestuurde boot). Van een B3-kandidaat wordt een hoger technisch niveau verwacht dan van een B1-kandidaat. Na S1 ga je van roeien met twee riemen naar roeien met één riem. Balans is hier nog belangrijker. Gelijkheid van de haal is hierbij een voorwaarde en omgekeerd. Pas wanneer er gelijkheid en dus balans is kun je instructeur een niveau hoger kiezen. Ook voor het intrekken van de riemen is behoorlijk wat bootbeheersing nodig. Pas wanneer hieraan wordt voldaan (B1) is het tijd voor de volgende cursus in een gladde boot (B2). Je beheerst dan de Algemene Afroei-eisen en je hebt de bevoegdheid S1 al behaald.

4.6.1.1 Leerdoelen

  • De boot gecontroleerd in- en uit kunnen brengen (zie ook S1)
  • Aanvullende commando’s voor boordroeien kunnen opvolgen
  • Boordhaal, op beide boorden, op slag en volgen
  • Manoeuvreren
  • Ploegroeien, zowel op slag als volgen
  • Watervrij roeien met goede balans
  • Techniek en roeien in C4+ of C2+ met 1 riem en stuurman/-vrouw
  • Intrekken van de riemen (bij een nauwe doorgang)
  • Op beide boorden kunnen roeien
  • Zowel halend als strijkend, over beide boorden, kunnen aanleggen zonder het vlot met rigger, boot of bladen te raken (basis B1)
  • Aanleggen op een met pionnen aangewezen deel van het vlot
  • Gecontroleerd een brug onderdoor kunnen varen, waarbij de boordriemen worden ingetrokken
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Variëren in kracht en tempo
  • Afstand roeien: 6 km. Moeiteloos en met goede techniek kunnen varen.

4.6.1.2 Oefeningen om het gewenste afroeiniveau te kunnen afsluiten

  • Riemen intrekken:
    • De riem wordt onder een hoek van 30 graden gekanteld, zodat deze als een speedboot over het water glijdt
    • Daarna de riem intrekken zodat het blad bijna bij de dol is of zover als nodig. De roeier blijft kijken naar zijn blad, trekt zo nodig verder in, laat op het water glijden.
  • Manoeuvreren:
    • Slagklaar maken en laten lopen
    • De boot aan beide boorden houden en houden aan één boord
    • Strijken met beide boorden houden en strijken aan één boord
    • Rondmaken met oprijden, beurtelings halen en strijken
    • De boot op de plaats 180 graden draaien
    • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoogscheren
  • Ploegroeien:
    • Slagklaar maken bij de uitpik
    • Ongeklipt blad varen
    • Van vaste rug zonder oprijden, uitlengen naar hele sliding: vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
    • Variëren in stops
    • Slag tegen ploeg, door variatie in kracht en tempo, probeert de slag de ploeg te “lossen”
    • De ploeg probeert binnen twee halen te volgen. Zijn er meer halen nodig, dan wint de slag
  • Balans
    • Balans voelen door de riemen aan beide boorden tegengesteld op en neer te bewegen
    • Slagklaar maken bij de uitpik, Aanhaal hoogte bepalen (blad bedekt) of over een boord vallen door niet diep genoeg weg te zetten
    • Soppen, juiste inpikhoogte zoeken door bladen tegelijk in en uit het water te brengen, houd balans
    • De boot over één boord leggen

4.7 Techniek boordroeien

4.7.1 De boordgreep

Beginnende roeiers moeten in een vroeg stadium leren hoe de riemen moeten worden vastgepakt. Een verkeerde greep geeft aanleiding tot veel fouten, en het is moeilijk om dit te veranderen wanneer de verkeerde greep eenmaal is aangeleerd.
Wees daarom niet bang om veel tijd te besteden aan het uitleggen aan beginnende roeiers van de juiste greep. Leer ze hoe de riemen moeten worden vastgepakt, voordat je ze iets anders leert. Begin bijvoorbeeld iedere training met aandacht te besteden aan de greep en aan het draaien.

Bij het boordroeien moeten de handen op twee handbreedtes van elkaar op de hendel geplaatst worden. De vingers moeten losjes om de hendel worden gelegd met de duimen aan de onderkant van de riem. Beide polsen zijn gestrekt met de handpalmen los van de hendel. De riem moet veren in de vingers, dus niet worden vastgepakt met de hand.
Het blad wordt verticaal gedraaid met de vingers en de duim van de binnenhand, terwijl de vingers van de buitenhand als een koker om het einde van de riem glijden. Al het draaien van de riem, zowel horizontaal als verticaal gebeurt uitsluitend met de binnenhand.
De buitenhand blijft ontspannen en gestrekt, zodat de hendel in de vingers kan draaien. Het gebruik van de buitenhand en -arm bij het ‘inhaken’ is essentieel vanwege de grotere hefboomwerking van de buitenarm. De vingers van de buitenhand moeten niet van de riem glijden. De buitenhand en -arm moeten klaar zijn om het grootste deel van de belasting op zich te nemen zodra het blad in het water wordt geplaatst.

4.7.2 De herstelfase

Het eerste deel van de herstelfase

De kniehoek is open en de benen zijn helemaal uitgetrapt. De heuphoek is groter dan 90° en het bovenlichaam hangt achterover.
De ellebooghoek is 180° en de armen zijn gestrekt, maar niet ‘op slot’ en zullen beginnen om het bovenlichaam naar voren te ‘trekken’.
Nadat de armen zijn gestrekt en het bovenlichaam is ingebogen begint het oprijden. Door ervaren ploegen kan het wegstrekken van de armen en het inbuigen van het bovenlichaam meer gelijktijdig worden uitgevoerd.

Het tweede deel van de herstelfase

De kniehoek is wat scherper en het bankje zit op het midden van de slidings. De heuphoek is vrij scherp en het bovenlichaam is volledig ingebogen. De armen en de rug blijven vanaf dit moment gefixeerd tot aan de inpik. De buitenschouder staat iets voor en boven de binnenschouder, met een denkbeeldige as, welke loopt door beide schouders, parallel aan de riem.

De armen zijn volledig gestrekt, maar de ellebogen staan niet ‘op slot’. Het is belangrijk om op dit moment de volle lengte te pakken, met de armen gestrekt en het bovenlichaam ingebogen, zodat de roeier alleen maar naar de inpik hoeft te glijden.

4.7.3 De inpik

De kniehoek is op z’n scherpst en de schenen staan bijna verticaal met het hele lichaam in een volledig samengedrukte positie.
Met een natuurlijke lichaamshouding reikt de roeier naar voren vanuit de heupen met een licht gebogen bovenlichaam. De zithouding is lang en ontspannen, waarbij de roeier zijn/haar hele lengte en reikwijdte gebruikt.
De buitenschouder is iets hoger dan de binnenschouder. Beide armen zijn gestrekt en ontspannen. Het blad gaat in het water op de maximale reikwijdte. De bladen moeten niet worden geplaatst door het lichaam op te richten; een veel voorkomende fout. Tijdens de inpik gaan alleen de handen omhoog door te scharnieren in het schoudergewricht. Het blad valt dan vanzelf in het water.
De tijdigheid waarmee wordt geplaatst is cruciaal. Als roeier wil je niet de lengte van de haal verkorten of het beste punt om je blad vast te zetten missen door te laat in te pikken. De efficiëntie van de beentrap gaat verloren als het blad niet onmiddellijk in het water wordt gedompeld.

4.7.4 Het eerste deel van de arbeidsfase

De kniehoek gaat open. Nadat de bladen in het water zijn geplaatst, wordt het lichaamsgewicht met de kracht van de benen op het voetenbord overgebracht.
Het bankje is halverwege op de sliding richting en beweegt richting boeg.
De heuphoek moet in het eerste deel van de haal onveranderd blijven. Hierdoor wordt de kracht zeer horizontaal uitgeoefend. De spieren in de rug, schouders en armen zij aangespannen en zorgen voor een goede verbinding tussen de benen en de bladen.
Het bovenlichaam richt zich niet op. De armen moeten gestrekt blijven. De grootste spanning zit in de buitenarm, want daar is het grootste moment.

4.7.5 Het tweede deel van de arbeidsfase

De kniehoek is nog licht gebogen en bankje zit op het laatste kwart van de slidings. De benen staan in de meest efficiënte houding, net voor de laatste druk naar beneden.
De heuphoek is geopend, en het de rompzwaai gaat de kracht overnemen van de beentrap. De roeier zit hoog en het bovenlichaam is verticaal of bijna verticaal.
De armen zijn nog steeds gestrekt maar staan op het punt te gaan buigen. De riemen naderen de stand waarbij ze loodrecht op de boot staan. Vanuit mechanisch oogpunt is dat het meest efficiënte deel van de haal. Het lichaamsgewicht hangt nog steeds tussen de handvaten en het voetenbord.

4.7.6 Het einde van de haal

De kniehoek is vlak en de benen zijn uitgetrapt. Benen en de rug beëindigen hun werk vrijwel gelijktijdig. De benen blijven tegen het voetenbord drukken en zorgen voor goede ondersteuning om de haal krachtig af te maken.
De heuphoek is open en het bovenlichaam hangt achterover, waarbij de buitenschouder iets hoger is dan de binnen schouder.
Hoofd en borst moeten achter het handvat zitten zonder dat de roeier in elkaar zakt. De ellebooghoek wordt scherper als de handen door het laatste stukje van de haal gaan. De buitenvoorarm is horizontaal. De binnen elleboog gaat langs het lichaam.

4.7.7 De uitpik

Bij de uitpik maken de handen een halfronde beweging naar beneden en weg voor het lichaam. Leg de nadruk op geduld en laat de boot doorlopen in dit deel van de haal.

 

 


Na behalen B2/ S2 mag je mee roeien in een gladde 4 of 8 (behalve op boeg in een ongestuurde boot)


4.8 S2-cursus (roeien in een gladde twee)

4.8.1 Wat leer je in de S2-cursus?

Om in te mogen schrijven voor de S2-cursus geldt als voorwaarde dat je voldoet aan de Algemene Afroei-eisen (Afroei-eisen – Roeivereniging Breda) en de bevoegdheid S1 hebt behaald.

4.8.1.1 Leerdoelen:

  • De boot gecontroleerd in- en uit kunnen brengen, op de juiste manier tillen
  • Van het vlot afzetten, met “veilig boord” (hendel aan waterkant vastzetten op je bovenbeen en blad net boven het water laten rusten). Rij hierbij beetje op, maar blijf rechtop zitten.
  • Commando’s geven, luid en duidelijk
  • Roeien en Sturen in een 2x op boeg
  • Manoeuvreren
  • Rondmaken met oprijden, beurtelings halen en strijken. Handen bij elkaar.
  • Ploegroeien, zowel op slag (plaats 2) als volgen op boeg (plaats 1)
  • Watervrij roeien met goede balans
  • Intrekken van de riemen (bij een nauwe doorgang)
  • Kunnen aanleggen zonder het vlot met rigger, boot of bladen te raken
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Variëren in kracht en tempo, je roeihaal (efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans)
  • Afstand roeien: 6 km. Moeiteloos en met goede techniek kunnen varen.

4.8.1.2 Oefeningen om op het gewenste afroeiniveau te kunnen afsluiten:

  • Aanleggen zonder het vlot te raken.
  • Al strijkend snelheid leren maken
  • Tempowisseling laten zien bijv. laat de slag het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen OF slag bepaalt het tempo
  • 180 graden rondmaken op dezelfde plaats en wisselend over beide boorden . (pirouette). Let op handen bij elkaar!
  • Krachtwisseling bijv. vijf halen spoelhaal>light paddle>volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Soppen, juiste inpik- en aanhaalhoogte zoeken door bladen tegelijk, in en uit het water te brengen. Houd balans
  • Stops 1 t/m 4 uitvoeren op commando van de boeg
  • Starten met vaste bank/vaste rug (alleen armen) en na 5 slagen overgaan op vaste bank (armen en inbuigen) en uitlengen: vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
  • Variëren in stops 1, 2, 3 en 4. Bijv. na elke derde slag een stopje, welke is een verrassing. Boeg bepaalt.
  • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoog scheren
  • Langere (100m) stukken met ongeklipt blad varen (focus op de uitpik)
  • Ploeg kan in balans vijf halen ongeklipt roeien
  • Om eerder te leren klippen, twee keer achterelkaar klippen in de recover

4.8.1.3 Veelvoorkomende ploegfouten:

  • ritme – de basis van de haal, leg accenten in de haal
  • gelijkheid – de essentie van ploegroeien
  • balans – een basisvoorwaarde voor plezierig roeien
  • watervrij roeiwerk – eveneens een basisvoorwaarde om een goede roeihaal te leren, wat weer helpt bij een goed ritme!

4.8.2 Tillen en commando’s bij een dubbeltwee

Hieronder gaat het over het uit de stelling tillen, vaargereed maken en in het water leggen van een gladde twee.

4.8.2.1 Een 2x (dubbeltwee) vanuit de loods op het water brengen

  • In principe worden alle gladde boten altijd aan het binnenwerk getild (zie tekening hieronder).
  • Tweeën mogen (!) ook aan hun uiteinden uit de stelling worden getild. Dit geldt alléén voor kunststof tweeën.
  • Tweeën moeten echter wel altijd vanuit het binnenwerk in het water worden getild omdat ze anders beschadigd kunnen worden door de rand van het vlot.
  • Oftewel: zo nodig na het uit de stelling tillen eerst op bokjes leggen en ‘ompakken’.

CommandoActie
Optie 1: Op de schouders = Voorkeursmethode

“tillen gelijk, nu”.
Roeiers stellen zich op naast de boot en tillen de boot uit de stelling.
“Kantelen links/rechts” Boot kantelen bij het naar buiten brengen, zodat de riggers vrij blijven.

Bij het commando brengen de roeiers de boot naar de linker of rechter schouder.  Pas je aan de windrichting aan, zodat de boot niet uit je handen waait, bolle kant naar de wind draaien.
“Opzij”
“…boven de hoofden… hoog…” “Rechter/linker schouder”
Beide tillers gebruiken beiden wel een zelfde tilmethode, anders is de boot bij het tillen uit balans

Bij roeien in glad materiaal draait immers alles om balans
“uit de loods”De boeg/stuur geeft de tilcommando’s. De achterste tiller checkt of de punt van de boot uit de loods is. Als commando “uit de loods” is gegeven, mag er gezwenkt worden.
Naar het vlot: “Zwenken (naar Breda of Terheijden).”De boot wordt, buiten de loods, gedraaid in de aangegeven richting. De achterste roeier zorgt ervoor dat er geen schades ontstaan, hij/zij is de boeg en geeft de commando”s.

In een aantal gevallen is er weinig ruimte om te manoeuvreren. In dat geval wordt ook aangegeven welke gedeelte van de boot moet zwenken. Vraag eventueel hulp, dat is beter dan het risico lopen boten te beschadigen.
Ga voorbereid het water op.
In deze positie is het lastig dollen opendraaien aan het vlot, doe dat dan eerst op de bokjes.
Je kunt dan direct ook de bootcontrole doen en de afstelling van de voetenborden en dolhoogte aanpassen
Optie 2: In de handen met 4 personen. 1 tiller bij elke punt, 2 tillers tegenover elkaar in het midden. Kantelen gaat dan prima. In het water leggen ook
Optie 3: Wanneer de boot te zwaar is voor de roeiers of bij schouder blessure
"in de handen"Pak de boot bij de uiteinden stevig vast. Een gladde boot glipt makkelijk uit je handen, daarom deze methode liever niet.
Dit is niet geschikt om de boot uit de loods te tillen, omdat de boot zo niet makkelijk gekanteld kan worden

Op het vlot 

CommandoActie
“Boven de hoofden… hoog...”De boot wordt boven de hoofden gebracht waarbij de roeiers de armen geheel strekken.

Dit doe je niet wanneer je bij de punten tilt.
“…voor de buiken...” De boot wordt voor de buiken gebracht waarbij tevens de bovenste rigger zoveel mogelijk omhoog en daarmee naar de roeiers toe wordt gebracht.
“…overslagen los...”De overslagen van de waterzijde worden losgedraaid
“…tenen aan de rand van het vlot...” De tenen worden aan de rand van het vlot gezet en niet over de rand.
“…en ver weg.” De boot wordt zachtjes en op ruime afstand van het vlot in het water gezet.
Door zachtjes te drukken op de riggers aan de vlotzijde wordt de boot recht in het water gezet.
De luchtkamers worden gesloten, de riemen worden in de dollen geplaatst en de overslagen aan kant van het vlot dicht gedraaid.  
De boeg controleert voor vertrek of de riemen er op de juiste manier in zitten. Daarna, wanneer nog niet gedaan, de standaard bootcontrole voor de veiligheid.
“Heelstrings controleren”Vervolgens eerst de overslagen sluiten -“overslagen dicht”-, dan het voetenbord stellen. Hierbij de roeiriemen in de maag tussen lijf en bovenbenen houden. Oprijden om makkelijker met de hand bij de overslag te komen. Stel af op voldoende ruimte bij de uitpik. Zie Theorieboek. De schoenen daarna losjes dichtmaken.
“Overslagen dicht.”Vervolgens eerst de overslagen sluiten -“overslagen dicht”-, dan het voetenbord stellen. Hierbij de roeiriemen in de maag tussen lijf en bovenbenen houden. Oprijden om makkelijker met de hand bij de overslag te komen. Stel af op voldoende ruimte bij de uitpik. Zie Theorieboek. De schoenen daarna losjes dichtmaken.
Hou altijd beide riemen vast!

Instappen 

CommandoActie
“Klaarmaken om in te stappen…” Zet de hendels met de punten tegen elkaar, de boeg geeft commando’s
De roeier brengt de riem aan de waterzijde uit en plaatst het bankje halverwege de sliding. De roeier houdt beide hendels met één hand (die aan de waterzijde) vast. De andere hand houdt dan de rigger (met platte hand) of boordrand aan de walzijde vast.
“…instappen gelijk... één...” Één voet wordt op het slidingplankje (en niet het bankje) van de boot gezet en het lichaamsgewicht wordt overgebracht tot boven de kiel. De voet niet op de huid zetten, ook niet op de slidings of op een diagonaal latje.
“...twee...” De andere voet wordt in het voetenbord (schoen) geplaatst. Ook nu de voet niet op de huid zetten!
“...en drie.” Ga zachtjes zitten op het bankje. De vrije hand kan het gaan zitten ondersteunen.
Laat je niet vallen op het bankje, wieltjes en slidings kunnen daar niet tegen. Zorg voor het materiaal wordt bij het afroeien eveneens beoordeeld.

Wegvaren

CommandoActie
“Uitzetten gelijk…” Houd hierbij veilig boord door de hendel van de vrije riem (aan waterzijde) losjes op je dijbeen te drukken en hou het blad net op water. Rij hierbij beetje op.
De roeiers pakken de kant beet, klaar om de boot af te duwen.
“…nu.” De roeiers zetten op dit commando tegelijk de boot uit.
De boeg geeft de commando’s om weg te varen, rekening houdend met andere roeiers bij het vlot en op de Mark. Hou altijd stuurboordwal en vaar veilig.

4.8.2.2 Het binnenbrengen van een 2x

Aanleggen

Je vaart door tot paal 4.3 en legt vanaf de richting Breda aan. (of bij HvH vlot tot ter hoogte vlot)

Je legt aan op het vlot dat hoort bij de loods waar de boot uit komt.

CommandoActie
“We gaan aanleggen aan Breda of Terheijden of HvH-vlot"De boeg begint eventueel met het aankondigingscommando voor rondmaken. Let op de voorrangsregels en neem geen risico’s met oversteken en let goed op andere boten.

Wees omgevingsbewust. Let op dat de slag je commando’s volgt, anders corrigeer je de slag daarop.

Boeg stuurt naar het vlot, door de juiste commando’s te geven. Slag kijkt niet mee bij het aanleggen

Bepaal vooraf waar je wilt uitkomen op het vlot en probeer de boot daar af te meren.
Geef de commando’s kort, luid en duidelijk.
“…Light Paddle …” Vervolgens wordt de bootsnelheid tijdig teruggebracht met het commando “Light paddle”

 Hou rekening met de wind en stroming, -richting en -kracht
En wordt attentie gevraagd met het commando
“…we naderen het vlot…” Als je denkt het vlot voldoende te hebben genaderd
 ”Laat lopen ”Eventueel kan het commando "Pas op de riemen worden gegeven", indien er nog andere boten aan het vlot liggen
“…riemen hoog…” De roeiers brengen de riemen omhoog.
“houden” of “vast”De slag blijft hier de commando’s van de boeg volgen en kijkt niet mee. Boeg geeft tenslotte het commando om te “houden” , indien nodig. Of “los” wanneer dat niet meer nodig is.
en “los” De roeiers pakken het vlot vast wanneer dat kan. De bladen worden boven op het vlot gelegd. Aan het andere boord worden de bladen plat op het water gelegd.
Vlotvrij aanleggenBij het aanleggen mag je niet met de bal het vlot raken.

Uit het water tillen: Zorg eerst dat er bokjes klaar staan.

Één van de roeiers gaat kijken en zet zo nodig bokjes klaar. De ander blijft bij de boot en houdt bij golfslag de boot af om schade te voorkomen.Schuif zo nodig door om ruimte voor anderen te maken. Haal eerst de riemen uit de boot, leg ze aan de kant.

CommandoActie
Commando “Aan de boorden...” De roeiers stappen ieder naar hun plek toe en grijpen het boord van de boot vast. Met de rug naar het hoge deel van het vlot. De boot wordt uit het water getild en doorgezwaaid naar een van de schouders. Ondertussen maak je een halve draai met de boot mee, zodat je weer met je gezicht in de looprichting staat.
“…tillen gelijk… nu...” Bij het in- en uittillen van de boot is het belangrijk dat niet al het gewicht met de romp wordt getild. Dus ook de knieën buigen en door de benen zakken, eigenlijk op eenzelfde wijze als een haal wordt gemaakt. Dit voorkomt rugblessures.
Let op de windrichting. Indien nodig wissel je van schouder op weg naar de bokjes.
“Naar de bokjes”Leg de boot rustig op de bokjes, met de kiel onder. Boeg geeft duidelijk commando’s. Uiteindelijk het commando “zakken”. Boegbal naar buitenkant loods wijzend.
LappenMaak doppen en luikjes open. Maak de slidings en wieltjes schoon en poets de boot schoon en droog.
1 persoon blijft altijd bij de boot om uit de schragen waaien te voorkomen.
Een roeier haalt de riemen op en maakt ze schoon en hangt ze op de juiste plek weer terug.

In de loods brengen

Kijk of de plek om de boot weg te leggen vrij is en of er ruimte is bij de stelling. (staan eventuele trapjes klaar?)

CommandoActie
“…tillen gelijk… nu...” Pas goed op dat je geen andere boten of riggers raakt bij het naar binnen brengen. Vooral lange mensen moeten goed op bovenliggende boten letten.
“…boven de hoofden… hoog…”
“Kantelen links/rechts”
“Rechter/linker schouder”
“Opzij”Leg de boot weer terug in de juiste stelling

4.8.2.3 Tilpositie gladde dubbeltwee 2x

Zie afbeelding (bron www.roeiapp.nl). Je positie net voor de zwaai naar de schouder of boven de hoofden

 

 tillen dubbeltwee

 

4.9 S3-cursus (roeien in een gladde skiff)

In de S3-cursus gaat het om het solo roeien in de skiff. Je kunt niet meer op anderen vertrouwen, maar je bent nu een zelfstandige gebruiker van het vaarwater.

Leerdoelen cursus S3

  • De roeier kan in alle omstandigheden de boot de baas en weet goed welke koers te varen en is daarin technisch voldoende vaardig
  • Efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans
  • Strijkend voldoende snelheid kunnen maken en aan te leggen
  • De boot over één boord leggen.

Oefeningen om het vereiste afroeiniveau af te sluiten

  • Aanleggen zonder het vlot te raken
  • Tempowisseling laten zien, het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen
  • Krachtwisseling laten zien, van normale haal naar volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Rondmaken met oprijden
  • 180 graden rondmaken op dezelfde plaats over beide boorden (pirouette)
  • Zowel halend als strijkend kunnen aanleggen

4.9.2 Tillen en commando’s bij een gladde skiff

  • Over het algemeen niet veel anders dan bij een andere gladde boot
  • De boot wordt voor het wegvaren op de bokjes gelegd om goed te kunnen afstellen en bij terugkomst om te soppen, zie hierboven bij 4.2
  • Poetsen: de boot soppen, afspoelen en drogen. Zie hierboven bij 4.1 Poetsinstructie
  • Vooral bij een skiff is het van belang dat er altijd iemand bij de boot staat, Of leg de boot bij wind, binnen in de loods, op schragen.
  • De boot ten slotte op zijn plaats terugleggen

tillen gladde skiff

Je kunt de boot op je schouder laten rusten of op je heup.

Een skiff kan weliswaar alleen getild worden, maar hiermee neem je – zeker bij harde wind – risico’s, dus vraag hulp. Een skiff wordt gedurende zijn levensduur gemiddeld 5000 keer in- en uitgebracht. Sluit dus risico’s uit en vraag een helper, zeker als beginner. Voorkeur heeft de methode zoals hierboven getekend is. Moderne kunststof skiffs mogen ook aan beide uiteinden worden getild. Doe dat nooit met houten of (oude) slappe skiffs.

4.10 S4-cursus roeien/sturen in een gladde vier

4.10.1.1 Leerdoelen cursus S4x

  • Gelijk roeien als één ploeg
  • Leiding geven aan de ploeg
  • Sturen in een rechte lijn, veilige koers varen
  • Corrigeren van je ploeg bij afwijkende roeihaal/roeibeeld
  • Oefeningen opgeven
  • Ploeg kan in balans tien halen ongeklipt roeien

4.10.1.2 Oefeningen om niveau te behalen S4

  • Aanleggen zonder het vlot te raken
  • Tempowisseling laten zien bijv. laat de slag het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen
  • Krachtwisseling laten zien bijv. van spoelhaal>light paddle>volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Bovenstaande oefeningen opbouwen in tempo of kracht. De boeg geeft bijv. aan opbouwen in drie halen. De ploeg blijft als één geheel varen.
  • Roeihaal variëren in kracht en tempo (doel: efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans)
  • Afstand roeien 10 km, moeiteloos en met goede techniek kunnen varen
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Stops 1 t/m 4 kunnen uitvoeren op commando van de boeg
  • Starten met vaste bank/vaste rug (alleen armen) en overgaan op vaste bank (armen en inbuigen)
  • Rondmaken met oprijden. De boot op de plaats 180 graden draaien
  • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoogscheren

4.10.1.3 Oefeningen ploegroeien:

  • Slagklaar maken bij de uitpik
  • Wisselend 100m met ongeklipt blad varen voor focus op de uitpik
  • Van vaste rug zonder oprijden, uitlengen naar heel bankje. Vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
  • Variëren in stops 1, 2, 3 en 4
  • Soppen, juiste inpikhoogte zoeken door bladen tegelijk, in en uit het water te brengen. Houd balans
  • De boot over één boord leggen
  • Wisselend per 100m focus op inpik, uitpik, watervrij, klippen

4.10.1.4  Veelvoorkomende ploegfouten:

  • ritme – de basis van de haal, leg accenten in de haal
  • gelijkheid – de essentie van ploegroeien
  • balans – een basisvoorwaarde voor plezierig roeien
  • watervrij roeiwerk – eveneens een basisvoorwaarde om een goede roeihaal te leren, wat weer helpt bij een goed ritme!

4.10.2     Een 4x/4-/8+ Vanuit de loods naar het roeiwater

Ploeg compleet? Zo ja,

Riemen naar het vrije deel van het vlot brengen

CommandoActie
Aan de ijzers Als de boot op twee stellingen ligt, trekken de roeiers de ijzers uit
Aan de boordenDe roeiers gaan naast de boot staan, pakken de boot vast bij de eigen roeiplaats (het middenstuk is het zwaarst, in het midden altijd een tilplek leeg houden)
Volgorde op lengte zorgt voor evenredige verdeling. (Kleinste roeier achteraan)
of
In de handen
Naam roeier/BB/SB onderdoor De genoemde roeiers of roeiers van het genoemde boord kruipen om beurten onder de boot door. Iedereen pakt nu het boord met twee handen vast.
Laag houden. De tiller die het verst in de loods staat, geeft de commando’s en let op of er nergens schade wordt gemaakt
Rechter- of linkerschouder.....nu!De boot, die boven de hoofden is, wordt schuin op de schouders genomen. De roeiers staan onder de boot met de handen aan beide boorden, één arm gestrekt, de andere gebogen. Pas op dat de riggers nergens tegenaan stoten.
Op de schouders......nu!De roeiers dragen ter hoogte van de eigen rigger de boot op schouderhoogte.
In de handen........nu!De roeiers dragen de boot verder in de handen tussen hen in. Iedereen heeft het boord met twee handen vast.
Boven de hoofden........!De roeiers tillen de boot boven de hoofden.
Voor de buiken.......nu!De boot, die boven de hoofden is getild, wordt vastgepakt met één hand aan een spant/bint en met één hand op het dichtst bij de roeier komende boord voor de buik gebracht. Alle roeiers staan nu aan landzijde van de boot.
Draaien naar x..........nu!De boot wordt gedraaid naar het genoemde punt. Dit (x) kan bijvoorbeeld zijn : zee, land, loods, plaats, brug etc. Het boord dat het verst verwijderd is van het genoemde punt, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. De grote dwarsspanten vastpakken, nooit riggers, slidings, voetenborden of kruislatten!
Overslagen losElke roeier maakt nog steeds met één hand aan het spant tillend, met de andere hand de overslag los.
Tenen aan de randDe roeiers gaan voorzichtig naar voren en zetten een voet tot aan de rand van het vlot. De tenen mogen niet oversteken.
Ver en zacht wegzettenDe boot wordt nu zachtjes door alle roeiers gelijktijdig rechtstandig in het water gezet. Met één hand aan het spant en één hand op het boord wordt de boot recht gehouden, zodat de huid en het vinnetje nooit de rand van het vlot raken.

4.10.3   Het binnenbrengen van een 4x of 4-

CommandoActie
Aan de boordenDe roeiers stellen zich bij hun eigen roeiplaats op
In de spanten De roeiers pakken ieder een spant/bint en houden de dichtstbijzijnde hand op het boord
Tillen gelijk
.......nu!
De boot wordt rechtstandig uit het water getild tot voor de buiken, ieder stapt van het water weg.
Let erop, dat de huid en het vinnetje de rand van het vlot niet raken
Overslagen dichtElke roeier maakt, nog steeds met één hand aan het spant/bint tillend, met de andere hand de overslagen vast
Boven de hoofden, BB/SB onderdoor............nuMet een zwaai wordt de boot van voor de buiken boven de hoofden gebracht. De roeiers aan het genoemde boord gaan onder de boot door of lopen om. Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten de boot tussen hen in zakken.
of
Boven de hoofden, BB/SB onderdoor, op de schouders............nuDe boot wordt met een zwaai boven de hoofden gebracht. De roeiers van het genoemde boord stappen onder de boot door. Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten deze op de schouders rusten.
of
Boven de hoofden, rechter- of linkerschouder..........nu!Met een zwaai wordt de boot van voor de buiken boven de hoofden gebracht. De boot wordt dan schuin op de genoemde schouder genomen. De roeiers staan onder de boot met de handen aan beide boorden, één arm gebogen en één arm gestrekt
of
In de handen, BB/SB onderdoor............nuVanaf “voor de buiken”, De genoemde roeiers of roeiers van het genoemde boord kruipen om beurten onder de boot door of lopen om.

Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten de boot tussen hen in zakken. Iedereen pakt nu het boord met twee handen vast en draaien de kiel naar boven.
  • Naar de bokjes. Kijk vooraf of er klaar staan.
  • De slagen halen de riemen en de Boegen boenen
  • Zie 4.2.3 Poetsinstructie
  • De boot wordt op schragen gelegd, gesopt, afgespoeld en gedroogd. De boot ten slotte op zijn plaats leggen in de omgekeerde volgorde als boven aangegeven

4.10.4   Tillen dubbelvier zonder (4x)

tillen dubbelvier
Bij het tillen van ongestuurde vieren wordt in het midden altijd een tilplek leeg gehouden. Til een vier nooit aan de punten!

 

  • 1
  • 2