Skip to main content

Algemene inleiding voor roeien in gladde boten
Behandeling van het materieel
Verbeteren van vaardigheden
Dynamische bootsnelheid
Coaching en instructie
Boordroeien algemeen
Techniek boordroeien
S2 cursus: roeien in een gladde twee
S3 cursus: roeien in een gladde skiff
S4 cursus: roeien in een gladde vier

4.1  Roeien in gladde boten

4.1.1 Informatie over doorstroomroutes naar vervolgcursussen

Na het behalen van je S1-bevoegdheid ga je op de website van RVBreda bij Commissies>Instructie naar de link: routes_instructie

Zoals je in dit overzicht kunt lezen, geeft de S1-bevoegdheid toegang tot een vervolgcursus en kun je je blijven ontwikkelen. Er zijn vier mogelijkheden, deels overlappend, waarvoor de instroomeis je S1-bevoegdheid is:

4.1.2 Waar vind je de juiste persoon om verder te kunnen?

  • Coördinatoren voor lessen: op de website RVBreda bij Commissies>Instructie naar de link: commissieleden – Roeivereniging Breda. Je stuurt een e-mail naar de betreffende coördinator of de instructiecommissaris met het verzoek je op de lijst te plaatsen voor de eerstvolgende cursus. Cursussen starten begin april, meestal zijn de cursussen dan al snel volgeboekt. Wees er dus op tijd bij.
  • De cursussen Toerroeien (commissieleden en het rooster Toertochten) vind je bij Commissies>Toer. Link TOER – Roeivereniging Breda

4.2 Behandeling van het materiaal (zie ook Hoofdstuk 2)

4.2.1 Bootcontrole voordat je het water op gaat

Bootcontrole maakt deel uit van het afroeien in gladde boten en is belangrijk voor de instandhouding van het materiaal en de veiligheid. Controleer dus je boot voordat je het water op gaat. Niet controleren kan gevaarlijke situaties opleveren voor jezelf en voor andere roeiers en kan een al aanwezige schade vergroten. Van roeiers wordt verwacht dat zij in staat zijn om hun boot op kleine punten te herstellen en aan te passen zodat een veilige vaart wordt gediend. Als zelf ter plekke repareren niet lukt, boot uit de vaart melden en in BRS een schademelding maken (zie 4.2.4). Zo nodig een andere boot afschijven.

4.2.2 Controleer je boot op de volgende punten

  • Heelstrings – wanneer de touwtjes niet vast zitten, kun je mogelijk niet uit je schoenen komen bij omslaan
  • Schoenen niet te vast, anders zijn je voeten niet snel los te maken bij omslaan
  • Voetenbord strips
  • Zit de boegbal vast? Zo niet, melden en boot niet gebruiken. Je bent een gevaar voor andere roeiers: uit de vaart en andere boot pakken
  • Alle moeren van de riggers en dolpennen checken
  • Dollen in orde en op de juiste hoogte
  • Luikjes dicht en kurken in de dekjes
  • Klemmetjes van het bankje
  • Kragen van je riemen

En controleer ook jezelf:

  • Ben je niet fit? Ga dan niet het water op
  • Weersvooruitzicht, lucht- en watertemperatuur/windkracht
  • Kleding/fysieke bescherming in laagjes
  • Telefoontje in waterdicht hoesje meenemen
  • Bij koud water een warmtedeken meenemen

4.2.3 Poetsinstructie gladde boten (zie ook 2.5.6)

Gebruikersonderhoud maakt deel uit van het afroeien in gladde boten en hoort bij ‘zorg voor het materiaal’ en ‘veiligheid’.

  • De boot in de schragen/op bokjes, altijd iemand erbij
  • De boot soppen en naspoelen
  • De huid van de boot en de taften zorgvuldig afdrogen, ook de boordranden
  • De boot op de kiel leggen
  • De slidings en de wieltjes schoonmaken met schuursponsjes en nadrogen met oude doeken (asjes en wieltjes zijn gevoelig voor vuil)
  • De boot aan de binnenkant droog en schoonmaken
  • Luchtkamerkleppen open zetten
  • Evt. kleine onvolkomenheden aan de boot verhelpen
  • Evt. trapjes klaarzetten bij de stelling
  • Boot naar binnen brengen. Nergens tegenaan stoten
  • De taften en de boordranden nogmaals afdrogen
  • Riemen en ander los materiaal naar binnen brengen. Riemen per paar (niet in een bos) naar binnen brengen
  • Evt. trapjes weer opbergen

4.2.4 Schades

Schades hoor je te melden in het BRS, ook als je deze niet zelf veroorzaakt hebt, maar alleen geconstateerd: website> BRS> Inloggen> Beheren> Schades> Melden. Wees sportief en meld elke schade ongeacht hoe deze is ontstaan! Probeer kleine schades of onvolkomenheden aan het materiaal allereerst zelf te verhelpen. Alle schades die niet direct kunnen worden verholpen moeten worden gemeld met het invullen van een melding via BRS. Schat bij de schademelding ook in of de boot uit de vaart moet worden genomen (zie ook 4.2.1).

Bij grote schades en indien een zogeheten derde partij bij de schade is betrokken, moet ook een schadeformulier worden ingevuld; dit in verband met het eventueel kunnen verhalen van de schade, met linkje: Schade aangifte (roeiverenigingbreda.nl). Verzamel bij een aanvaring zoveel mogelijk gegevens en maak een schets van de situatie. Bij grote schades is het zaak ook de materiaalcommissaris te informeren en bij ongevallen met lichamelijk letsel – in verband met eventuele publiciteit en mogelijke politieaangifte – tevens de bestuurssecretaris. Niet alleen schades maar ook ongevallen met lichamelijk letsel en incidenten (bijna-ongevallen) dienen via BRS te worden gemeld.

4.3  Verbeteren van vaardigheden

4.3.1   Oefeningen

Oefeningen om zelf bepaalde ‘roeifouten/verbeterpunten’ aan te pakken kun je vinden bij www.roeiapp.nl (van Jeroen Brinkman). Daar worden roeifouten (alfabetisch weergegeven) en adviezen wat je daaraan kunt doen, besproken, gefilmd en uitgelegd. Uit de cursus Boordroeien van Jeroen zijn delen gebruikt bij het schrijven van dit onderdeel van het Roeiboek.

Basisafstellen van je boot en voetenbord plus juiste hendelvoering komen voorbij. Afstellen voor gevorderden vind je daar ook (altijd sleuteltje 10 bij je). Wanneer je weet waar je kunt verbeteren, kun je daar vaak ook zelfstandig mee aan de slag. Ook als naslag handig.

Jeroen Brinkman verzorgt landelijk trainingen voor roei-instructeurs en ploegcoaches. Ook bij RVBreda. Je moet dan wel de term onthouden waarop je kunt verbeteren. Pak je verbetertraject punt voor punt aan, niet alles tegelijk willen. Spreek met je instructeur(s) af waar je in de les aan gaat werken. Dan kan hij/zij gericht kijken/ bij jou navragen of er verbetering is en of je begrijpt wat er fout gaat. Wanneer je voor je gevoel lekker roeit, doe je het meestal ook goed/beter.

4.3.2 Ontwikkelen van vaardigheden na S1 is een continu proces

Een goede roeihaal is aan te leren door vooral veel te roeien. Alleen zo kun je de coördinatie van beschreven bewegingen en houdingen in de boot inslijpen. Bij het roeien zijn verder de volgende vaardigheden van belang:

Algemeen:

  • Blessuregevoelige punten vermijden: polsen
  • Het in evenwicht brengen van de boot. Balans is essentieel. Gebruik je rug-en buikspieren hierbij (core-stability)
  • Gelijk roeien, volg het ritme van de slag
  • Timen van de verhouding tussen haal en recover. Contrast in ritme
  • Het laten “glijden” van de boot en de snelheid niet verstoren
  • Het haalbeeld leren aanpassen aan dat van je ploeg
  • Actieve zit, trots en rechtop zitten met aangespannen buik- en rugspieren

Laatste deel haal:

  • Timen van de uitpik en snel wegzetten van de riemen (rondje achter)
  • De wegzet gebeurt door de handvatten naar de dijen te drukken en snel met romp en armen tegelijkertijd naar voren te buigen tot voorbij de knieën(moderne wegzet)

Herstelfase:

  • Timen van het oprijden om de boot zijn optimale snelheid te laten behouden.
  • De roeier zit ergens tussen vaste bank en ¼ bank volledig ingebogen en met gestrekte armen klaar om op te rijden
  • De nek is lang, kin omhoog, rug gestrekt

Inpik:

  • Klippen als je de knieën voorbij bent/boven de scheenbenen
  • Het plaatsen van de bladen tijdens het laatste stukje oprijden
  • De volledige inpik bestaat uit drie stappen: water naderen, plaatsen en vastzetten. Tijdens de inpik staat het bankje niet stil

Arbeidsfase:

  • Optimaal oppakken van de boot, met de benen, zodra de bladen bedekt in het water liggen
  • Het koppelen van beentrap, rugzwaai en aanhalen van de armen
  • Voetendruk houden tot de uitpik, daarna de rugzwaai
  • Duw met de benen de navel naar achteren, hou tegendruk met buikspieren, om aan het eind af te maken met de armen
  • Het versnellen van de boot in de drivefase.

Instructeur: Check voor de ploeg:

  • Gelijkheid, ritme en contrast, bladen, riemen, inpik, uitpik
  • bewegingsvolgorde haal: benen, romp en armen
  • Balans en juiste aanhaalhoogte
  • Doorlopen van de boot

4.3.3 Oefenen op het water en op de ergometer

Deze vaardigheden kun je alleen aanleren door veel te oefenen en oefening baart kunst, dat wil zeggen een steeds betere roeihaal. De beste oefening doe je in de boot. Een nuttige aanloop is het oefenen van de roeihaal in de roeibak op het vlot. Ook de roeiergometer is een goed instrument om je roeibeweging te trainen. Naast Concept-2 ergometers beschikt de roeivereniging over een Rowperfect ergometer die speciaal geschikt is voor het trainen van timing en coördinatie. Probeer zodra je enig niveau bereikt hebt ook eens met meer ervaren roeiers in de boot te stappen om het gevoel van goed en ritmisch roeien te ervaren. Uiteraard gaan eigen inzet en een goede coaching/instructie hand in hand met de mate van vooruitgang. In een gladde boot zul je je roeitechniek dus vooral verbeteren door veel te roeien en veel te oefenen. Roei ook door in de winter. Maak kilometers, daag jezelf uit door minimaal naar de brug over de A-16 op en neer te roeien.

4.4 Dynamische bootsnelheid

Onderstaande grafiek is een weergave van de dynamische bootsnelheid. Het laat zien hoe de snelheid van de boot varieert rond het gemiddelde (100%). Het eerste dat opvalt, is dat de tijd tussen de inpik en uitpik kleiner is dan de tijd tussen uitpik en inpik. Deze roeier rijdt rustig op. Verder is te zien dat de bootsnelheid na de uitpik nog steeds toeneemt. Dat komt omdat de roeier zich moet optrekken aan het voetenbord om zijn bewegingsrichting om te keren. Daarbij neemt de bootsnelheid toe, maar de snelheid van het systeem van roeier met boot niet. Vlak voor de inpik moet de roeier zich voorbereiden om zijn bewegingsrichting opnieuw om te keren. Hij doet dat door zijn bewegingssnelheid af te remmen op het voetenbord. De druk die daarbij ontstaat remt de boot snel af. Wanneer een roeier na de uitpik snel oprijdt neemt de bootsnelheid veel toe. Maar omdat de roeier het voetenbord met een extra grote snelheid nadert moet er ook extra veel worden afgeremd. Zo’n roeistijl is niet efficiënt. Het is beter om achter snel te keren, vervolgens beheerst -met eenparige snelheid- op te rijden, en voorin tijdig in te pikken.

dynamische bootsnelheid

4.5 Coaching en instructie, opleiding voor instructeurs

4.5.1

Technisch vermogen, conditie en motivatie bepalen voor het grootste deel het niveau van de prestaties van de roeier. Daarnaast zijn fysiologische aanleg en motorisch talent van belang. Roeien vergt aanzienlijke technische kwaliteiten om een hoog prestatieniveau te behalen. Kracht, uithoudingsvermogen en andere fysiologische aspecten kunnen alleen optimaal benut worden als de roeier de vaardigheden bezit om deze te gebruiken voor het verhogen van de bootsnelheid. Vaak kunnen kleinere, en minder sterke lichte ploegen zich meten met sterkere zware ploegen – in het bijzonder in de kleine nummers – omdat ze technisch beter zijn.

4.5.2

Coaches en instructeurs moeten zich concentreren op de basisprincipes van de roeitechniek. Daarmee kun je zowel beginnende als gevorderde ploegen instructie geven. Bij coaching gaat het niet alleen om het aanleren en verbeteren van de roeitechniek, maar ook om het scheppen van gunstige voorwaarden die leiden tot goede roeiprestaties en wordt meer gebruikt bij wedstrijdroeiers.

Vele ervaren en succesvolle coaches en instructeurs hebben hun methodieken in de loop der jaren vereenvoudigd. Als instructeur moet je de basisprincipes van de roeitechniek volledig begrijpen en beheersen. Je moet een duidelijk beeld van de roeihaal hebben en in staat zijn om dit in simpele termen duidelijk te maken aan je cursisten.

Vanuit Instructie wordt bij voldoende belangstelling, op onze vereniging, een opleiding (https://roeicoach.com) voor aankomende instructeurs georganiseerd door Jeroen Brinkman. Heb je interesse, neem dan contact op met de Instructiecommissaris. Ook beginnende roeiers zijn van harte welkom, want je leert er zelf ook ontzettend veel van, een goede investering.

4.6 Boordroeien algemeen

Raadpleeg routes_instructie

4.6.1 Wat leer je?

De indeling in boten is: B1 (gestuurde C-boten), B2 (gestuurd glad) en B3 (op boeg in gladde ongestuurde boot). Van een B3-kandidaat wordt een hoger technisch niveau verwacht dan van een B1-kandidaat. Na S1 ga je van roeien met twee riemen naar roeien met één riem. Balans is hier nog belangrijker. Gelijkheid van de haal is hierbij een voorwaarde en omgekeerd. Pas wanneer er gelijkheid en dus balans is kun je instructeur een niveau hoger kiezen. Ook voor het intrekken van de riemen is behoorlijk wat bootbeheersing nodig. Pas wanneer hieraan wordt voldaan (B1) is het tijd voor de volgende cursus in een gladde boot (B2). Je beheerst dan de Algemene Afroei-eisen en je hebt de bevoegdheid S1 al behaald.

4.6.1.1 Leerdoelen

  • De boot gecontroleerd in- en uit kunnen brengen (zie ook S1)
  • Aanvullende commando’s voor boordroeien kunnen opvolgen
  • Boordhaal, op beide boorden, op slag en volgen
  • Manoeuvreren
  • Ploegroeien, zowel op slag als volgen
  • Watervrij roeien met goede balans
  • Techniek en roeien in C4+ of C2+ met 1 riem en stuurman/-vrouw
  • Intrekken van de riemen (bij een nauwe doorgang)
  • Op beide boorden kunnen roeien
  • Zowel halend als strijkend, over beide boorden, kunnen aanleggen zonder het vlot met rigger, boot of bladen te raken (basis B1)
  • Aanleggen op een met pionnen aangewezen deel van het vlot
  • Gecontroleerd een brug onderdoor kunnen varen, waarbij de boordriemen worden ingetrokken
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Variëren in kracht en tempo
  • Afstand roeien: 6 km. Moeiteloos en met goede techniek kunnen varen.

4.6.1.2 Oefeningen om het gewenste afroeiniveau te kunnen afsluiten

  • Riemen intrekken:
    • De riem wordt onder een hoek van 30 graden gekanteld, zodat deze als een speedboot over het water glijdt
    • Daarna de riem intrekken zodat het blad bijna bij de dol is of zover als nodig. De roeier blijft kijken naar zijn blad, trekt zo nodig verder in, laat op het water glijden.
  • Manoeuvreren:
    • Slagklaar maken en laten lopen
    • De boot aan beide boorden houden en houden aan één boord
    • Strijken met beide boorden houden en strijken aan één boord
    • Rondmaken met oprijden, beurtelings halen en strijken
    • De boot op de plaats 180 graden draaien
    • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoogscheren
  • Ploegroeien:
    • Slagklaar maken bij de uitpik
    • Ongeklipt blad varen
    • Van vaste rug zonder oprijden, uitlengen naar hele sliding: vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
    • Variëren in stops
    • Slag tegen ploeg, door variatie in kracht en tempo, probeert de slag de ploeg te “lossen”
    • De ploeg probeert binnen twee halen te volgen. Zijn er meer halen nodig, dan wint de slag
  • Balans
    • Balans voelen door de riemen aan beide boorden tegengesteld op en neer te bewegen
    • Slagklaar maken bij de uitpik, Aanhaal hoogte bepalen (blad bedekt) of over een boord vallen door niet diep genoeg weg te zetten
    • Soppen, juiste inpikhoogte zoeken door bladen tegelijk in en uit het water te brengen, houd balans
    • De boot over één boord leggen

4.7 Techniek boordroeien

4.7.1 De boordgreep

Beginnende roeiers moeten in een vroeg stadium leren hoe de riemen moeten worden vastgepakt. Een verkeerde greep geeft aanleiding tot veel fouten, en het is moeilijk om dit te veranderen wanneer de verkeerde greep eenmaal is aangeleerd.
Wees daarom niet bang om veel tijd te besteden aan het uitleggen aan beginnende roeiers van de juiste greep. Leer ze hoe de riemen moeten worden vastgepakt, voordat je ze iets anders leert. Begin bijvoorbeeld iedere training met aandacht te besteden aan de greep en aan het draaien.

Bij het boordroeien moeten de handen op twee handbreedtes van elkaar op de hendel geplaatst worden. De vingers moeten losjes om de hendel worden gelegd met de duimen aan de onderkant van de riem. Beide polsen zijn gestrekt met de handpalmen los van de hendel. De riem moet veren in de vingers, dus niet worden vastgepakt met de hand.
Het blad wordt verticaal gedraaid met de vingers en de duim van de binnenhand, terwijl de vingers van de buitenhand als een koker om het einde van de riem glijden. Al het draaien van de riem, zowel horizontaal als verticaal gebeurt uitsluitend met de binnenhand.
De buitenhand blijft ontspannen en gestrekt, zodat de hendel in de vingers kan draaien. Het gebruik van de buitenhand en -arm bij het ‘inhaken’ is essentieel vanwege de grotere hefboomwerking van de buitenarm. De vingers van de buitenhand moeten niet van de riem glijden. De buitenhand en -arm moeten klaar zijn om het grootste deel van de belasting op zich te nemen zodra het blad in het water wordt geplaatst.

4.7.2 De herstelfase

Het eerste deel van de herstelfase

De kniehoek is open en de benen zijn helemaal uitgetrapt. De heuphoek is groter dan 90° en het bovenlichaam hangt achterover.
De ellebooghoek is 180° en de armen zijn gestrekt, maar niet ‘op slot’ en zullen beginnen om het bovenlichaam naar voren te ‘trekken’.
Nadat de armen zijn gestrekt en het bovenlichaam is ingebogen begint het oprijden. Door ervaren ploegen kan het wegstrekken van de armen en het inbuigen van het bovenlichaam meer gelijktijdig worden uitgevoerd.

Het tweede deel van de herstelfase

De kniehoek is wat scherper en het bankje zit op het midden van de slidings. De heuphoek is vrij scherp en het bovenlichaam is volledig ingebogen. De armen en de rug blijven vanaf dit moment gefixeerd tot aan de inpik. De buitenschouder staat iets voor en boven de binnenschouder, met een denkbeeldige as, welke loopt door beide schouders, parallel aan de riem.

De armen zijn volledig gestrekt, maar de ellebogen staan niet ‘op slot’. Het is belangrijk om op dit moment de volle lengte te pakken, met de armen gestrekt en het bovenlichaam ingebogen, zodat de roeier alleen maar naar de inpik hoeft te glijden.

4.7.3 De inpik

De kniehoek is op z’n scherpst en de schenen staan bijna verticaal met het hele lichaam in een volledig samengedrukte positie.
Met een natuurlijke lichaamshouding reikt de roeier naar voren vanuit de heupen met een licht gebogen bovenlichaam. De zithouding is lang en ontspannen, waarbij de roeier zijn/haar hele lengte en reikwijdte gebruikt.
De buitenschouder is iets hoger dan de binnenschouder. Beide armen zijn gestrekt en ontspannen. Het blad gaat in het water op de maximale reikwijdte. De bladen moeten niet worden geplaatst door het lichaam op te richten; een veel voorkomende fout. Tijdens de inpik gaan alleen de handen omhoog door te scharnieren in het schoudergewricht. Het blad valt dan vanzelf in het water.
De tijdigheid waarmee wordt geplaatst is cruciaal. Als roeier wil je niet de lengte van de haal verkorten of het beste punt om je blad vast te zetten missen door te laat in te pikken. De efficiëntie van de beentrap gaat verloren als het blad niet onmiddellijk in het water wordt gedompeld.

4.7.4 Het eerste deel van de arbeidsfase

De kniehoek gaat open. Nadat de bladen in het water zijn geplaatst, wordt het lichaamsgewicht met de kracht van de benen op het voetenbord overgebracht.
Het bankje is halverwege op de sliding richting en beweegt richting boeg.
De heuphoek moet in het eerste deel van de haal onveranderd blijven. Hierdoor wordt de kracht zeer horizontaal uitgeoefend. De spieren in de rug, schouders en armen zij aangespannen en zorgen voor een goede verbinding tussen de benen en de bladen.
Het bovenlichaam richt zich niet op. De armen moeten gestrekt blijven. De grootste spanning zit in de buitenarm, want daar is het grootste moment.

4.7.5 Het tweede deel van de arbeidsfase

De kniehoek is nog licht gebogen en bankje zit op het laatste kwart van de slidings. De benen staan in de meest efficiënte houding, net voor de laatste druk naar beneden.
De heuphoek is geopend, en het de rompzwaai gaat de kracht overnemen van de beentrap. De roeier zit hoog en het bovenlichaam is verticaal of bijna verticaal.
De armen zijn nog steeds gestrekt maar staan op het punt te gaan buigen. De riemen naderen de stand waarbij ze loodrecht op de boot staan. Vanuit mechanisch oogpunt is dat het meest efficiënte deel van de haal. Het lichaamsgewicht hangt nog steeds tussen de handvaten en het voetenbord.

4.7.6 Het einde van de haal

De kniehoek is vlak en de benen zijn uitgetrapt. Benen en de rug beëindigen hun werk vrijwel gelijktijdig. De benen blijven tegen het voetenbord drukken en zorgen voor goede ondersteuning om de haal krachtig af te maken.
De heuphoek is open en het bovenlichaam hangt achterover, waarbij de buitenschouder iets hoger is dan de binnen schouder.
Hoofd en borst moeten achter het handvat zitten zonder dat de roeier in elkaar zakt. De ellebooghoek wordt scherper als de handen door het laatste stukje van de haal gaan. De buitenvoorarm is horizontaal. De binnen elleboog gaat langs het lichaam.

4.7.7 De uitpik

Bij de uitpik maken de handen een halfronde beweging naar beneden en weg voor het lichaam. Leg de nadruk op geduld en laat de boot doorlopen in dit deel van de haal.

 

 


Na behalen B2/ S2 mag je mee roeien in een gladde 4 of 8 (behalve op boeg in een ongestuurde boot)


4.8 S2-cursus (roeien in een gladde twee)

4.8.1 Wat leer je in de S2-cursus?

Om in te mogen schrijven voor de S2-cursus geldt als voorwaarde dat je voldoet aan de Algemene Afroei-eisen (Afroei-eisen – Roeivereniging Breda) en de bevoegdheid S1 hebt behaald.

4.8.1.1 Leerdoelen:

  • De boot gecontroleerd in- en uit kunnen brengen, op de juiste manier tillen
  • Van het vlot afzetten, met “veilig boord” (hendel aan waterkant vastzetten op je bovenbeen en blad net boven het water laten rusten). Rij hierbij beetje op, maar blijf rechtop zitten.
  • Commando’s geven, luid en duidelijk
  • Roeien en Sturen in een 2x op boeg
  • Manoeuvreren
  • Rondmaken met oprijden, beurtelings halen en strijken. Handen bij elkaar.
  • Ploegroeien, zowel op slag (plaats 2) als volgen op boeg (plaats 1)
  • Watervrij roeien met goede balans
  • Intrekken van de riemen (bij een nauwe doorgang)
  • Kunnen aanleggen zonder het vlot met rigger, boot of bladen te raken
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Variëren in kracht en tempo, je roeihaal (efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans)
  • Afstand roeien: 6 km. Moeiteloos en met goede techniek kunnen varen.

4.8.1.2 Oefeningen om op het gewenste afroeiniveau te kunnen afsluiten:

  • Aanleggen zonder het vlot te raken.
  • Al strijkend snelheid leren maken
  • Tempowisseling laten zien bijv. laat de slag het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen OF slag bepaalt het tempo
  • 180 graden rondmaken op dezelfde plaats en wisselend over beide boorden . (pirouette). Let op handen bij elkaar!
  • Krachtwisseling bijv. vijf halen spoelhaal>light paddle>volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Soppen, juiste inpik- en aanhaalhoogte zoeken door bladen tegelijk, in en uit het water te brengen. Houd balans
  • Stops 1 t/m 4 uitvoeren op commando van de boeg
  • Starten met vaste bank/vaste rug (alleen armen) en na 5 slagen overgaan op vaste bank (armen en inbuigen) en uitlengen: vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
  • Variëren in stops 1, 2, 3 en 4. Bijv. na elke derde slag een stopje, welke is een verrassing. Boeg bepaalt.
  • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoog scheren
  • Langere (100m) stukken met ongeklipt blad varen (focus op de uitpik)
  • Ploeg kan in balans vijf halen ongeklipt roeien
  • Om eerder te leren klippen, twee keer achterelkaar klippen in de recover

4.8.1.3 Veelvoorkomende ploegfouten:

  • ritme – de basis van de haal, leg accenten in de haal
  • gelijkheid – de essentie van ploegroeien
  • balans – een basisvoorwaarde voor plezierig roeien
  • watervrij roeiwerk – eveneens een basisvoorwaarde om een goede roeihaal te leren, wat weer helpt bij een goed ritme!

4.8.2 Tillen en commando’s bij een dubbeltwee

Hieronder gaat het over het uit de stelling tillen, vaargereed maken en in het water leggen van een gladde twee.

4.8.2.1 Een 2x (dubbeltwee) vanuit de loods op het water brengen

  • In principe worden alle gladde boten altijd aan het binnenwerk getild (zie tekening hieronder).
  • Tweeën mogen (!) ook aan hun uiteinden uit de stelling worden getild. Dit geldt alléén voor kunststof tweeën.
  • Tweeën moeten echter wel altijd vanuit het binnenwerk in het water worden getild omdat ze anders beschadigd kunnen worden door de rand van het vlot.
  • Oftewel: zo nodig na het uit de stelling tillen eerst op bokjes leggen en ‘ompakken’.

CommandoActie
Optie 1: Op de schouders = Voorkeursmethode

“tillen gelijk, nu”.
Roeiers stellen zich op naast de boot en tillen de boot uit de stelling.
“Kantelen links/rechts” Boot kantelen bij het naar buiten brengen, zodat de riggers vrij blijven.

Bij het commando brengen de roeiers de boot naar de linker of rechter schouder.  Pas je aan de windrichting aan, zodat de boot niet uit je handen waait, bolle kant naar de wind draaien.
“Opzij”
“…boven de hoofden… hoog…” “Rechter/linker schouder”
Beide tillers gebruiken beiden wel een zelfde tilmethode, anders is de boot bij het tillen uit balans

Bij roeien in glad materiaal draait immers alles om balans
“uit de loods”De boeg/stuur geeft de tilcommando’s. De achterste tiller checkt of de punt van de boot uit de loods is. Als commando “uit de loods” is gegeven, mag er gezwenkt worden.
Naar het vlot: “Zwenken (naar Breda of Terheijden).”De boot wordt, buiten de loods, gedraaid in de aangegeven richting. De achterste roeier zorgt ervoor dat er geen schades ontstaan, hij/zij is de boeg en geeft de commando”s.

In een aantal gevallen is er weinig ruimte om te manoeuvreren. In dat geval wordt ook aangegeven welke gedeelte van de boot moet zwenken. Vraag eventueel hulp, dat is beter dan het risico lopen boten te beschadigen.
Ga voorbereid het water op.
In deze positie is het lastig dollen opendraaien aan het vlot, doe dat dan eerst op de bokjes.
Je kunt dan direct ook de bootcontrole doen en de afstelling van de voetenborden en dolhoogte aanpassen
Optie 2: In de handen met 4 personen. 1 tiller bij elke punt, 2 tillers tegenover elkaar in het midden. Kantelen gaat dan prima. In het water leggen ook
Optie 3: Wanneer de boot te zwaar is voor de roeiers of bij schouder blessure
"in de handen"Pak de boot bij de uiteinden stevig vast. Een gladde boot glipt makkelijk uit je handen, daarom deze methode liever niet.
Dit is niet geschikt om de boot uit de loods te tillen, omdat de boot zo niet makkelijk gekanteld kan worden

Op het vlot 

CommandoActie
“Boven de hoofden… hoog...”De boot wordt boven de hoofden gebracht waarbij de roeiers de armen geheel strekken.

Dit doe je niet wanneer je bij de punten tilt.
“…voor de buiken...” De boot wordt voor de buiken gebracht waarbij tevens de bovenste rigger zoveel mogelijk omhoog en daarmee naar de roeiers toe wordt gebracht.
“…overslagen los...”De overslagen van de waterzijde worden losgedraaid
“…tenen aan de rand van het vlot...” De tenen worden aan de rand van het vlot gezet en niet over de rand.
“…en ver weg.” De boot wordt zachtjes en op ruime afstand van het vlot in het water gezet.
Door zachtjes te drukken op de riggers aan de vlotzijde wordt de boot recht in het water gezet.
De luchtkamers worden gesloten, de riemen worden in de dollen geplaatst en de overslagen aan kant van het vlot dicht gedraaid.  
De boeg controleert voor vertrek of de riemen er op de juiste manier in zitten. Daarna, wanneer nog niet gedaan, de standaard bootcontrole voor de veiligheid.
“Heelstrings controleren”Vervolgens eerst de overslagen sluiten -“overslagen dicht”-, dan het voetenbord stellen. Hierbij de roeiriemen in de maag tussen lijf en bovenbenen houden. Oprijden om makkelijker met de hand bij de overslag te komen. Stel af op voldoende ruimte bij de uitpik. Zie Theorieboek. De schoenen daarna losjes dichtmaken.
“Overslagen dicht.”Vervolgens eerst de overslagen sluiten -“overslagen dicht”-, dan het voetenbord stellen. Hierbij de roeiriemen in de maag tussen lijf en bovenbenen houden. Oprijden om makkelijker met de hand bij de overslag te komen. Stel af op voldoende ruimte bij de uitpik. Zie Theorieboek. De schoenen daarna losjes dichtmaken.
Hou altijd beide riemen vast!

Instappen 

CommandoActie
“Klaarmaken om in te stappen…” Zet de hendels met de punten tegen elkaar, de boeg geeft commando’s
De roeier brengt de riem aan de waterzijde uit en plaatst het bankje halverwege de sliding. De roeier houdt beide hendels met één hand (die aan de waterzijde) vast. De andere hand houdt dan de rigger (met platte hand) of boordrand aan de walzijde vast.
“…instappen gelijk... één...” Één voet wordt op het slidingplankje (en niet het bankje) van de boot gezet en het lichaamsgewicht wordt overgebracht tot boven de kiel. De voet niet op de huid zetten, ook niet op de slidings of op een diagonaal latje.
“...twee...” De andere voet wordt in het voetenbord (schoen) geplaatst. Ook nu de voet niet op de huid zetten!
“...en drie.” Ga zachtjes zitten op het bankje. De vrije hand kan het gaan zitten ondersteunen.
Laat je niet vallen op het bankje, wieltjes en slidings kunnen daar niet tegen. Zorg voor het materiaal wordt bij het afroeien eveneens beoordeeld.

Wegvaren

CommandoActie
“Uitzetten gelijk…” Houd hierbij veilig boord door de hendel van de vrije riem (aan waterzijde) losjes op je dijbeen te drukken en hou het blad net op water. Rij hierbij beetje op.
De roeiers pakken de kant beet, klaar om de boot af te duwen.
“…nu.” De roeiers zetten op dit commando tegelijk de boot uit.
De boeg geeft de commando’s om weg te varen, rekening houdend met andere roeiers bij het vlot en op de Mark. Hou altijd stuurboordwal en vaar veilig.

4.8.2.2 Het binnenbrengen van een 2x

Aanleggen

Je vaart door tot paal 4.3 en legt vanaf de richting Breda aan. (of bij HvH vlot tot ter hoogte vlot)

Je legt aan op het vlot dat hoort bij de loods waar de boot uit komt.

CommandoActie
“We gaan aanleggen aan Breda of Terheijden of HvH-vlot"De boeg begint eventueel met het aankondigingscommando voor rondmaken. Let op de voorrangsregels en neem geen risico’s met oversteken en let goed op andere boten.

Wees omgevingsbewust. Let op dat de slag je commando’s volgt, anders corrigeer je de slag daarop.

Boeg stuurt naar het vlot, door de juiste commando’s te geven. Slag kijkt niet mee bij het aanleggen

Bepaal vooraf waar je wilt uitkomen op het vlot en probeer de boot daar af te meren.
Geef de commando’s kort, luid en duidelijk.
“…Light Paddle …” Vervolgens wordt de bootsnelheid tijdig teruggebracht met het commando “Light paddle”

 Hou rekening met de wind en stroming, -richting en -kracht
En wordt attentie gevraagd met het commando
“…we naderen het vlot…” Als je denkt het vlot voldoende te hebben genaderd
 ”Laat lopen ”Eventueel kan het commando "Pas op de riemen worden gegeven", indien er nog andere boten aan het vlot liggen
“…riemen hoog…” De roeiers brengen de riemen omhoog.
“houden” of “vast”De slag blijft hier de commando’s van de boeg volgen en kijkt niet mee. Boeg geeft tenslotte het commando om te “houden” , indien nodig. Of “los” wanneer dat niet meer nodig is.
en “los” De roeiers pakken het vlot vast wanneer dat kan. De bladen worden boven op het vlot gelegd. Aan het andere boord worden de bladen plat op het water gelegd.
Vlotvrij aanleggenBij het aanleggen mag je niet met de bal het vlot raken.

Uit het water tillen: Zorg eerst dat er bokjes klaar staan.

Één van de roeiers gaat kijken en zet zo nodig bokjes klaar. De ander blijft bij de boot en houdt bij golfslag de boot af om schade te voorkomen.Schuif zo nodig door om ruimte voor anderen te maken. Haal eerst de riemen uit de boot, leg ze aan de kant.

CommandoActie
Commando “Aan de boorden...” De roeiers stappen ieder naar hun plek toe en grijpen het boord van de boot vast. Met de rug naar het hoge deel van het vlot. De boot wordt uit het water getild en doorgezwaaid naar een van de schouders. Ondertussen maak je een halve draai met de boot mee, zodat je weer met je gezicht in de looprichting staat.
“…tillen gelijk… nu...” Bij het in- en uittillen van de boot is het belangrijk dat niet al het gewicht met de romp wordt getild. Dus ook de knieën buigen en door de benen zakken, eigenlijk op eenzelfde wijze als een haal wordt gemaakt. Dit voorkomt rugblessures.
Let op de windrichting. Indien nodig wissel je van schouder op weg naar de bokjes.
“Naar de bokjes”Leg de boot rustig op de bokjes, met de kiel onder. Boeg geeft duidelijk commando’s. Uiteindelijk het commando “zakken”. Boegbal naar buitenkant loods wijzend.
LappenMaak doppen en luikjes open. Maak de slidings en wieltjes schoon en poets de boot schoon en droog.
1 persoon blijft altijd bij de boot om uit de schragen waaien te voorkomen.
Een roeier haalt de riemen op en maakt ze schoon en hangt ze op de juiste plek weer terug.

In de loods brengen

Kijk of de plek om de boot weg te leggen vrij is en of er ruimte is bij de stelling. (staan eventuele trapjes klaar?)

CommandoActie
“…tillen gelijk… nu...” Pas goed op dat je geen andere boten of riggers raakt bij het naar binnen brengen. Vooral lange mensen moeten goed op bovenliggende boten letten.
“…boven de hoofden… hoog…”
“Kantelen links/rechts”
“Rechter/linker schouder”
“Opzij”Leg de boot weer terug in de juiste stelling

4.8.2.3 Tilpositie gladde dubbeltwee 2x

Zie afbeelding (bron www.roeiapp.nl). Je positie net voor de zwaai naar de schouder of boven de hoofden

 

 tillen dubbeltwee

 

4.9 S3-cursus (roeien in een gladde skiff)

In de S3-cursus gaat het om het solo roeien in de skiff. Je kunt niet meer op anderen vertrouwen, maar je bent nu een zelfstandige gebruiker van het vaarwater.

Leerdoelen cursus S3

  • De roeier kan in alle omstandigheden de boot de baas en weet goed welke koers te varen en is daarin technisch voldoende vaardig
  • Efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans
  • Strijkend voldoende snelheid kunnen maken en aan te leggen
  • De boot over één boord leggen.

Oefeningen om het vereiste afroeiniveau af te sluiten

  • Aanleggen zonder het vlot te raken
  • Tempowisseling laten zien, het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen
  • Krachtwisseling laten zien, van normale haal naar volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Rondmaken met oprijden
  • 180 graden rondmaken op dezelfde plaats over beide boorden (pirouette)
  • Zowel halend als strijkend kunnen aanleggen

4.9.2 Tillen en commando’s bij een gladde skiff

  • Over het algemeen niet veel anders dan bij een andere gladde boot
  • De boot wordt voor het wegvaren op de bokjes gelegd om goed te kunnen afstellen en bij terugkomst om te soppen, zie hierboven bij 4.2
  • Poetsen: de boot soppen, afspoelen en drogen. Zie hierboven bij 4.1 Poetsinstructie
  • Vooral bij een skiff is het van belang dat er altijd iemand bij de boot staat, Of leg de boot bij wind, binnen in de loods, op schragen.
  • De boot ten slotte op zijn plaats terugleggen

tillen gladde skiff

Je kunt de boot op je schouder laten rusten of op je heup.

Een skiff kan weliswaar alleen getild worden, maar hiermee neem je – zeker bij harde wind – risico’s, dus vraag hulp. Een skiff wordt gedurende zijn levensduur gemiddeld 5000 keer in- en uitgebracht. Sluit dus risico’s uit en vraag een helper, zeker als beginner. Voorkeur heeft de methode zoals hierboven getekend is. Moderne kunststof skiffs mogen ook aan beide uiteinden worden getild. Doe dat nooit met houten of (oude) slappe skiffs.

4.10 S4-cursus roeien/sturen in een gladde vier

4.10.1.1 Leerdoelen cursus S4x

  • Gelijk roeien als één ploeg
  • Leiding geven aan de ploeg
  • Sturen in een rechte lijn, veilige koers varen
  • Corrigeren van je ploeg bij afwijkende roeihaal/roeibeeld
  • Oefeningen opgeven
  • Ploeg kan in balans tien halen ongeklipt roeien

4.10.1.2 Oefeningen om niveau te behalen S4

  • Aanleggen zonder het vlot te raken
  • Tempowisseling laten zien bijv. laat de slag het tempo afwisselend opvoeren en weer afbouwen
  • Krachtwisseling laten zien bijv. van spoelhaal>light paddle>volle kracht en weer afbouwen naar normale haal
  • Bovenstaande oefeningen opbouwen in tempo of kracht. De boeg geeft bijv. aan opbouwen in drie halen. De ploeg blijft als één geheel varen.
  • Roeihaal variëren in kracht en tempo (doel: efficiënt inzetten van je kracht, zodat je meer effect behaalt in snelheid en balans)
  • Afstand roeien 10 km, moeiteloos en met goede techniek kunnen varen
  • Elementaire oefeningen (bijv. stopjes en bankjes)
  • Stops 1 t/m 4 kunnen uitvoeren op commando van de boeg
  • Starten met vaste bank/vaste rug (alleen armen) en overgaan op vaste bank (armen en inbuigen)
  • Rondmaken met oprijden. De boot op de plaats 180 graden draaien
  • Bij golven: de boot uithouden of de boot hoogscheren

4.10.1.3 Oefeningen ploegroeien:

  • Slagklaar maken bij de uitpik
  • Wisselend 100m met ongeklipt blad varen voor focus op de uitpik
  • Van vaste rug zonder oprijden, uitlengen naar heel bankje. Vast, inbuigen, kwart, half, driekwart, hele sliding
  • Variëren in stops 1, 2, 3 en 4
  • Soppen, juiste inpikhoogte zoeken door bladen tegelijk, in en uit het water te brengen. Houd balans
  • De boot over één boord leggen
  • Wisselend per 100m focus op inpik, uitpik, watervrij, klippen

4.10.1.4  Veelvoorkomende ploegfouten:

  • ritme – de basis van de haal, leg accenten in de haal
  • gelijkheid – de essentie van ploegroeien
  • balans – een basisvoorwaarde voor plezierig roeien
  • watervrij roeiwerk – eveneens een basisvoorwaarde om een goede roeihaal te leren, wat weer helpt bij een goed ritme!

4.10.2     Een 4x/4-/8+ Vanuit de loods naar het roeiwater

Ploeg compleet? Zo ja,

Riemen naar het vrije deel van het vlot brengen

CommandoActie
Aan de ijzers Als de boot op twee stellingen ligt, trekken de roeiers de ijzers uit
Aan de boordenDe roeiers gaan naast de boot staan, pakken de boot vast bij de eigen roeiplaats (het middenstuk is het zwaarst, in het midden altijd een tilplek leeg houden)
Volgorde op lengte zorgt voor evenredige verdeling. (Kleinste roeier achteraan)
of
In de handen
Naam roeier/BB/SB onderdoor De genoemde roeiers of roeiers van het genoemde boord kruipen om beurten onder de boot door. Iedereen pakt nu het boord met twee handen vast.
Laag houden. De tiller die het verst in de loods staat, geeft de commando’s en let op of er nergens schade wordt gemaakt
Rechter- of linkerschouder.....nu!De boot, die boven de hoofden is, wordt schuin op de schouders genomen. De roeiers staan onder de boot met de handen aan beide boorden, één arm gestrekt, de andere gebogen. Pas op dat de riggers nergens tegenaan stoten.
Op de schouders......nu!De roeiers dragen ter hoogte van de eigen rigger de boot op schouderhoogte.
In de handen........nu!De roeiers dragen de boot verder in de handen tussen hen in. Iedereen heeft het boord met twee handen vast.
Boven de hoofden........!De roeiers tillen de boot boven de hoofden.
Voor de buiken.......nu!De boot, die boven de hoofden is getild, wordt vastgepakt met één hand aan een spant/bint en met één hand op het dichtst bij de roeier komende boord voor de buik gebracht. Alle roeiers staan nu aan landzijde van de boot.
Draaien naar x..........nu!De boot wordt gedraaid naar het genoemde punt. Dit (x) kan bijvoorbeeld zijn : zee, land, loods, plaats, brug etc. Het boord dat het verst verwijderd is van het genoemde punt, wordt bovenlangs over het andere boord gedraaid. De grote dwarsspanten vastpakken, nooit riggers, slidings, voetenborden of kruislatten!
Overslagen losElke roeier maakt nog steeds met één hand aan het spant tillend, met de andere hand de overslag los.
Tenen aan de randDe roeiers gaan voorzichtig naar voren en zetten een voet tot aan de rand van het vlot. De tenen mogen niet oversteken.
Ver en zacht wegzettenDe boot wordt nu zachtjes door alle roeiers gelijktijdig rechtstandig in het water gezet. Met één hand aan het spant en één hand op het boord wordt de boot recht gehouden, zodat de huid en het vinnetje nooit de rand van het vlot raken.

4.10.3   Het binnenbrengen van een 4x of 4-

CommandoActie
Aan de boordenDe roeiers stellen zich bij hun eigen roeiplaats op
In de spanten De roeiers pakken ieder een spant/bint en houden de dichtstbijzijnde hand op het boord
Tillen gelijk
.......nu!
De boot wordt rechtstandig uit het water getild tot voor de buiken, ieder stapt van het water weg.
Let erop, dat de huid en het vinnetje de rand van het vlot niet raken
Overslagen dichtElke roeier maakt, nog steeds met één hand aan het spant/bint tillend, met de andere hand de overslagen vast
Boven de hoofden, BB/SB onderdoor............nuMet een zwaai wordt de boot van voor de buiken boven de hoofden gebracht. De roeiers aan het genoemde boord gaan onder de boot door of lopen om. Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten de boot tussen hen in zakken.
of
Boven de hoofden, BB/SB onderdoor, op de schouders............nuDe boot wordt met een zwaai boven de hoofden gebracht. De roeiers van het genoemde boord stappen onder de boot door. Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten deze op de schouders rusten.
of
Boven de hoofden, rechter- of linkerschouder..........nu!Met een zwaai wordt de boot van voor de buiken boven de hoofden gebracht. De boot wordt dan schuin op de genoemde schouder genomen. De roeiers staan onder de boot met de handen aan beide boorden, één arm gebogen en één arm gestrekt
of
In de handen, BB/SB onderdoor............nuVanaf “voor de buiken”, De genoemde roeiers of roeiers van het genoemde boord kruipen om beurten onder de boot door of lopen om.

Allen pakken de boot vast aan de boorden en laten de boot tussen hen in zakken. Iedereen pakt nu het boord met twee handen vast en draaien de kiel naar boven.
  • Naar de bokjes. Kijk vooraf of er klaar staan.
  • De slagen halen de riemen en de Boegen boenen
  • Zie 4.2.3 Poetsinstructie
  • De boot wordt op schragen gelegd, gesopt, afgespoeld en gedroogd. De boot ten slotte op zijn plaats leggen in de omgekeerde volgorde als boven aangegeven

4.10.4   Tillen dubbelvier zonder (4x)

tillen dubbelvier
Bij het tillen van ongestuurde vieren wordt in het midden altijd een tilplek leeg gehouden. Til een vier nooit aan de punten!

 

divider_breda_logo